Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
83
doch tevens verbazend sterk. Met eenen slag van een'
zijner pooten velt hij zijne prooi ter neder, en doet
dezen aanval, als het noodig is, in eene opgerigte ge-
stalte, rustende op de hakken der achterpooten.
De Miereneter, die geene beweegbare kaken heeft,
en alleen eenen mond met eene ronde opening, heeft
eene lange ronde tong, die in den motid opgerold
ligt. Komt hij bij een mierennest, dan steekt hij de-
ze tong in hare geheele lengte uit, en legt ze op den
mierenhoop onbewegelijk neder. De mieren, die dit
hgchaam, dat met een kleverig vocht bezet is, voor
eenig aas houden, plaatsen zich in menigte daarop, en
woi-den zoo, met de snelste vaart, naar binnen geslikt.
De Ichneumon, of zoogenaamde Krokodillen-doo'
der, kruipt langs den grond, met het lijf ingekort,
den kop in de hoogte, uitgestrekt als eene slang, lang-
zaam voort. Verneemt zij eenig geritsel, dan rigt zij
zich schielijk op de achterpooten op, en bespringt ha-
?e prooi, waartoe zij inzonderheid mollen, muizen,
rotten, kikvorschen , hagedissen, slangen, en somtijds
ook vogelen en insekten verkiest.
De Rivier - otter is een geweldig vischverslindend
roofdier, dat, ter bejaging van zijne prooi, door list
vergoedt, hetgene de visschen in snelheid boven hem
vooruit hebben. Hij zwemt in vischrijke wateren legen
den stroom op, en ziet zich zoo zijne prooi in den
mond loopen. Bedient hij zich van deze wijze niet,
dan ligt hij in ruigte of in het riet op den loer,
om de voorbijkomende te betrappen, of hij steekt,
waar zich veel visch ophoudt, van wal, en ver-
schrikt, door eenen geweldigen slag met zijnen staart,
de visschen, die hiei-op in holen en gaten in den