Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
eene onbeschrijfelijke woede alle levende schepselen,
welke hij vindt. Hij is ook zeer gretig naar menschen-
vleesch, en volgt niet alleen de legers, maar zoekt
aelis, door honger gedreven, stoutmoedig de wonin-
gen der menschen op, terwijl hij, alle vrees uilge-
schud hebbende, bij dag en nacht, ook levende men-
schen aanvalt en verscheurt.
De Jakhals of gouden IVolf, die voornamelijk in de
Ooslersche landen en in Noord- Afrika gevonden
wordt, overtreft in stoutheid, vraatzucht en wreedheid
den wolf. Des daags houdt liij zich in de dikke bos-
schen op, waar hij zich, zelfs onder den grond, onder
rotsen of in gaten verschuilt, doch des nachts uit zij-
nen schuilhoek te voorschijn komt om zijn aas te zoe-
ken. Dan gaan deze dieren op de boeren-woningen in
de doipen en op sleden af, en rooven alles weg,. wat
zij vinden kunnen. Zij jagen doorgaans, onder een on-
aangenaam huilend geblaf, dikwerf bij troepen, op scha-
pen en andere kleine dieren. Zij volgen ook de legers, en
graven, waar zij kunnen, de lijken uit den grond.
De Vos is een bijna alles etend dier, dat vooral in
de noordelijke deelen der aarde overal gevonden wordt.
De nacht schijnt hem bijzonder geschikt om op roof
uit te gaan. Kan hij duiven - of hoenderhokken over-
meesteren, "^dan vermoordt hij alles, en sleept zoo
lang zijne prooi naar veilige plaatsen als de duisternis
dit begunstigt of geen gerucht hem stoort. Om honig
te bekomen, [ilundert hij de nesten der bijen, en
bekomjjiert zich niet om den aanval dezer diertjes,
want vallen zij in menigte op hem aan, dan rolt hij
zich oj) den grond, doodt ze zoo, en zet zijnen roof vooi't.
De Beer, na zijn derde levensjaar, schapen,
lakken, hei ten , runderen, paarden en ook somtijds
den mensch aanstaat, is in zijnen aanval zeer lomp,