Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
en eene vereenipng tossclien den Atlantischen Oce-
aan en de Stille Zuidzee bewerkt, zoo niet de
hooge keten van granietbergen aldaar dit vermo-
gen perk gesteld had.
Ook in de noordelijke zeeën moeten, hetzij door
vuur, water of eenige andere oorzaak, verbazende
veranderingen plaats gehad hebben. Men zie slechts
de ligging en gedaante der Orkney's- en Shetland-
sche eilanden — hoe alles van een gerukt en ver*
spreid ligt, wat welligt eens een zamenhangend
land uitgemaakt heelt. Waarschijnlijk heeit de zee
eene geweldige doorbraak veroorzaakt; doch de rot-
sen der tegenwoordige eilanden heeft zij niet kun-
nen verzwelgen.
Heeft de natuur door hare verbazende werkingen
hier en daar geheele landen doen verdwijnen, zij
heeft ook weder plotseling of allengs landen uit de
zee te voorschijn gebragt.
Verscheidene eilanden, namelijk in de Middelland-
sche Zee, ten westen van AJrika, bij Terzeira —
in- het jaar 1720 — en nog voor weinige jaren bij
IJsland, zijn door vulkanen en aardbevingen bin-
nen weinige uren ontstaan. Bergen zijn door het
vermogen des vuurs ven ezen, of door aardbevin-
gen verplaatst of verzonken. Geheele landstreken,
met hare steden en dorpen, verzonken door de-
zelfde oorzaken, en hare plaats wordt th^ns door
diepe meren of door de zee vervangen.
Hoe hevig en verbazend moet de werking geweest
zijn, waardoor de beenderen van olifanten, rhino-
cerossen of krokodillen in de noordelijke streken
der aarde, en geheele beddingen schelpen en ande-
re zeedieren, niet alleen te midden van hel vlakke
land, maar ook op bergen, 8000 voet hoog, geko-
men zijn! Zelfs beenderen van walvisschen heeft
men Iiier en daar onder de aarde gevonden, zoo
ab in Noorwegen, 240 voet boven de oppervlakte