Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
76
te vergelijkt. Dit land, dat weiijig boven de opper-
vlakte der zee verheven is, heeft, bij eene onbe-
schrijfelijke hitte, bijna in het geheel geen' régen, met
uitzondering van het eiland, dat aan zee door de
beide armen van den Nijl gevormd wordt. Hooger,
boven Kairo, valt naauwelijks om de twee of drie
jaren een stofregen, en een stortregen is iets zoo
zeldzaams, da't deze eens door de bewoners van eene
kleine streek als de voorbode van het naderend einde
der wereld aangezien werd. Ook zijn onweders zoo
zeldzaam, dat bijna geen Egyptenaar ze kent.
Niettegenstaande deze droogte, drijven in den mor-
genstond, van April tot Julij, met regen bezwangerde
wolken over Egypte, doch zij ontlasten zich niet,
maar trekken naar het gebergte van Abyssinie, om
daar de bronnen des I^ijls te onderhouden, welke
laatste echter Egypte's vruchtbaarheid bevordert. Of-
schoon nü de regen in deze streken zoo zeldzaam is,
zoo is echter in sommige oorden de dauw zoo sterk,
dal men des morgens zou meenen, dat het des nachts
geregend had.
In het gebergte van Abyssinie is de regen in den
winter — dat is van Junij tot September — verba-^
zend. In den morgen heeft men doorgaans nog zon-
neschijn , doch legen of met den middag pakken de
wolken te zamen, en tegen 2 uren beginnen ver-
schrikkelijke onweders met hagel vergezeld, waarbij
de regen verscheidene uren aanhoudt. Groote stroo-
men ontlasten zich in de dalen, of liever maken ze
tot hunne bedding. Deze dalen zijn, na den afloop
des waters, zeer moerassig. Diep gelredene voetpa-
den schijnen rivieren geworden te zijn, en wanneer
de hemel reeds lang helder is, ruischen de stroomen
nog daar henen.
Wat de winden betreft, deze zijn in de gevolgen
allerweldadigst, naardien zij het middel zijn, om de
lucht uit een te drijven, die, door zoo velerlei uit-
wasemingen , voor liet leven anders doodelijk zoude