Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
74
In Oostindie is, op het einde van het drooge jaar-
^getijde, alles verschroeid en dor; doch met den regen
herleeft alles, en vertoont eene groeikracht, waarvan
w^ ons in onze streken'"geen denkbeeld kunnen vór-
men. Hier vindt men de sterkste en versch^urend-
ste dieren; de voortreffelijkste boomen en kruiden;
het beste tin; het edelste, goiii en het. kostbaarste
edelgesteente.
In het met gebergte omgevene Kasimir, het para-
dijs der aai'de, bevochtigd door heldere bronnen en
beken, die gezamentlijk den vloed Selam voi-men,
heerscht eene altoosdurende lente en een bestendige
zómer tevens. Ooft, graan en \V-ijn gedijen overal,
en aan koele en aangename bosschen en frissche wei-
den is geen gebrek.
De. Hindo's verdeelen het jaar in zes deelen. Het
eerste gedeelte, van het midden van Maart tot het
midden van Mei, levert het helderste weder, en de
veldarbeid wordt in dien tijd volbragt. Op dit jaar^
getijde volgt een ander, dat men het Jieete noemt,
wanneer de zonnestralen bijna loodregt nedervallen.
Om dezen tijd bespeurt men ooji het meest dien hee-
ten en verdroogenden wind, waarvan wij reeds ge-
sproken hebben. De overige jaargetijden hebben niets
bijzonders behalve den regentijd, die echter uit het
voorgaande genoegzaam kenbaar is.
De winter in Hindostan bestaat, zoo als in vele
andere landen, onder en nabij de middellijn gelegen,
in eenen geringeren graad van warmte dan atiders in
deze streken heeischt. De zon, welker stralen hier
in den zoogenaamden zomer loodregt nederdalen, en
derhalve dag en nacht bijna even lang maken, val-
len alsdan in eene eenigzins schuinere rigting, ter-
väjl het hooge, van het noorden naar het zuiden loo-
pende gebergte ter bekoeling der lucht medewerkt. —
In Hindostan, aan gene zijde van den Ganges, vallen
geweldige regenvloeden, die door gi-oote overstroomin-
gen gevolgd woi-den, waarom dan ook aldaar de ligte
rieten woningen op palen gebouwd zijn.