Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
68
hevigste orkaan -beroert de zee naauwelijks ter diepte
van 15 ellen. Meer nut in deze verschaft het zout,
waarmede het zeewater bezwangerd is, naardien dit
een algemeen behoedmiddel is tegen het bederf. Veel
nut doen ook de gedurige stroomen en de draaikol-
ken in zee, en de beweging des waters van het oos-
ten naar het westen. Veel doet de ebbe en vloed; doch
het meest brengen welligt de ontelbare menigte zee-
dieren aan deze beweging toe.
In het algemeen genohien, beweegt de zee zich van
het oosten naar het westen, hetwelk voornamelijk
aan de wenteling der ^rde om hare as is toe te
schrijven. Het sterkste is deze beweging tusschen de
keerkringen. Dewijl daardoor het water ^ tegen de kus-
ten van Amerika gedreven wordt, zoo ontstaan hier-
door terugkeei ende stroomen. Men moet echter niet
denken, dat deze beweging zich steeds gelijk blijft;
dit hangt van velerlei omstandigheden af, waardoor
gezegde strpomen nu eens breeder, dan smaller, nu
eens langer, dan korter zijn. In de Indische Zee
gaat de stroom door de moussons nu naar deze en
dan weder naar de tegenovergestelde zijde, en ook wel
van het zuiden naar het noorden.
De stroomen in den Atlantischen Oceaan, waarin
men de sterkste stroomen aantreft, gaan van het wes-
ten naar het oosten, en dus tegen de algemeene be-
weging der zee. Deze stroomen zijn dikwij s zoo sterk,
dat men op eene reis, wanneer men die in zijn voor-
deel heeft, in twee dagen meer wegs aflegt dan an-
ders in zes weken, wanneer men den stroom tegen
heeft.
De sterkste stroom is ontegenzeggehjk die, welke
uit de GolJ van Mexico komt. In dezen zeeboeze;n
wordt het water des oceaans, dat uit het oosten komt,
door den bestendig waaijenden, oostenwind, met ge-
weld opgestuwd; het water moet zich eenen terug-
weg banen, en doet dit tusschen Oost-Florida en
Kuba, en vervolgens door de Jiahama-eilanden.
Hierdoor ontstaat nu een stroom, welks grootste boog
zich 400 mijlen verre ten noorden uitstrekt Deze
stroom kan als de oorzaak beschouwd worden, waar-