Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Niemand heeft ooit het binnenste des aardbeis be-
gchouwd. De diepste bekende mijnen, — waaronder
men eenige steenkolen - mijnen in Engeland telt, —
gaan wel lager dan de bodem der zee, doch zij zijn
nog geen 6000 voet diep, en onder de overige mij-
nen in Europa is er slechts eene, en dat is in
Bohemen, die de diepte van 3500 voet bereikt. In
deze diepte werken de wellen met zulk een geweld,
en leveren zoo veel waters op, dat geene pompen
noch andere werktuigen in slaat zijn, dezen toevoer
van water naar buiten te brengen. Wat is nu deze
diepte in vergelijking met de halve middellijn der
aarde, die men op 860 Duitsche mijlen rekent?. Is
Let wel anders dan ol" men de buitenste korst der
aarde even heeft omgewoeld ? — Hetgene liet oog van
den mensch niet bereiken kan, dat bereikt toch dik-
wijls zijn verstand, ten minste door vermoeden, waar-
schijnlijklieid en mogelijkheid, waardoor hij zeer dik-
wijls, wanneer tijd en omstandigheden daartoe gun-
stig zijn, en hij de eene waarneming met de an-
dere verbindt, tot genoegzame zekerheid kan gera-
ten. — Men vermoedt, dat het binnenste des aardbols
niet hol is, zoo als eenigen aangenomen hebben; dat
het niet met water noch met vuur opgevuld is,
maar dat het uit eene vaste stof bestaat, die het
graniet in zwaarte verre overtreft. — Dit zijn voor-
aeker niet dan vooronderstellingen, doch zij steunen
op genoegzainen grond, als een gevolg van onver-
moeide nasporingen.
Beter bekend is ons de oppervlakte onzes aai^d-
bols, want wij kunnen zien, höe daarop ber-
gen en dalen, "hoogten en diepten, land en zee,
rivieren, meren en moerassen elkander afwisselen
én begrenzen, en hoe lagen van verschillende stof-
fen schijnbaar zonder orde op elkander geworpen
Kijn. Wij vinden bedolvene bosschen en steden,
verzonkene bergen; streken, door de zee verzwol-