Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
dewijl men aldaar overal eene genoegzame menigte er
van vindt. De baden van Napels, waarbij men die van
Pozzuolo en Pithecuse met regt voegen kan, zijn
zeer aanmerkelijk. 7 os kanen alleen heelt er meer dan
vijftig. Bij Padua vindt men er eene menigte.
In Engeland, 19 mijlen van Londen, heeft men
het vermaarde Bath.
Zoodanige heete bronnen vindt men niet alleen in
de zuidelijke gewesten van Europa, maar ook in die-
gene, welke nabij het noorder-aspunt liggen, en door
de koude bijna onbewoonbaar zijn. Men denke aan
de reeds beschrevene bron op IJsland.
Merkwaardig is hetgeen labht wegens dergelijke bron
in de Baai van Ferri op het eiland Guadeloupe
verhaalt. Men toonde hem daSr kokend water op 5
of 6 schreden in zee, doch het kookte het sterkste
nabij het strand, zoodat daarin eenige eijeren gaar
werden. Hij ging vervolgens aan land, alwaar de op-
TCrvlakte van het zand niet warmer was dan o[) an-
dere plaatsen; doch met de hand eenen kuil in de
aarde gemaakt hebbende, werd hij, eer hij zes dui-
men diep gekomen was, eene aanmerkelijke vermeer-
dering van hitte gewaar. Hoe dieper hij den kuil
maakte, hoe meer de hitte toenam, zoo dat hij, op
de diepte van eenen voet, daarin de hand niet meer
houden kon. Nadat hij met eene schop nog eenen
voet dieper in de aarde had doen graven, vond hij
brandend zand, dat rookte, en dat eenen onverdra-
gelijken zwavelachtigen reuk liad. Niet verre vpn
daar vond hij een meer, dat kokend water uitgtf,
hetwelk zwavelachtig van smaak was.
biviehen.
Welk eene verbazende menigte rivieren doorsnijdt
de oppervlakte onzer aarde, en van welk eene onme-
telijke uitgestrektheid zijn er niet vele.
Daar, waar men het hoogste gebergte heeft, vindt