Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
tijd tusschen de stukken steen omgedwaald had, en
begeerde, dat ik hem zoude volgen.
Jk nam mijne papieren en mijn kompas op; ge-
lastte mijnen tweeden gids, die zich nevens mij ne-
dergezet had, daar te blijven tot wij terug gekeerd
zouden zijn, en volgde den eèrsten, dien ik in éenen
loodregten gang aantrof, waarin zijn ligcliaam naau-
welijks ruimte genoeg had om zich te bewegen. Wij
kropen van den eenen steen op den anderen, tot wij
ten laatste, na vele moeite, welke ons deze gang
van 40 voet hoog veroorzaakte, in eene kamer kwa-
men, die ten minste 1800 voet in den omtrek had,
en waarvan het gewelf in het middelpunt omtrent
150 voet hoog was. Nadat wij de steenen, die om
den engen gang lagen, welken wij doorgekomen wa-
ren, met naar beneden wijzende pijlen geteekend had-
den , drongen wij tot bijna in het middelpunt dezer
ruimte door.
Het 'was reeds middernacht, toen ifc deze kamer
van altoosdurende duisternis binnen trad. Ik moet be-
kennen, dat mij eene huivering beving, toen ik aan
de menigte gangen dacht, waardoor ik, sedert 's mor-
gens ten acht ure, alhier gekomen was — en op de-
zen oogenblik, verscheidene mijlen diep, in de dikste
duisternis van een schrikbarend hol, welligt het graf
van duizenden menschelijke wezens, begraven te zijn,
verschafte mij geene aangename gewaarwordingen. Met
den bij mij geblevenen gids slofig ik nu den weg in
door ■ den eenigsten gang, die uit deze kamer leidt,
en ging eene mijl verre in eene zuidelijke rigting,
toen mijne lamp op eenmaal het verder gaan ver-
bood , naardien zij op het punt was van uit te
gaan. Deze gang was ruimer dan die, welke wij
reeds doorwandeld hadden; — hoe verre wij er door
zouden gekomen zijn, indien ons licht zulks veroor-
loofd had^ weet ik niet. Door allen, die eenige ken-
nis van dit hol hebben, wordt aangenomen, dat de
Green Rivier, een stroom, die eenige honderden
mijlen bevaarbaar is, over drie afdeelingen van dit
hol henen loopt.
Het was bijna één nur des nachts, toen wij bij den
4
Jl