Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
gestapeld, hetwelk ontegeiizeggelijk als het werk van
menschen moet beschouwd" woiäen.
Volgens de rigting mijner magneetnaald, had ik ver-
wacht, dat deze gang ons naar de hooidstad zoude
terug voerendoch ik zag mij op eene onaangename
wijze teleurgesteld, toen ik bespeurde, dat ik mi)
eenige honderden Engelsche ellen van de vierde stad
verwijderd vond, hetwelk ons noodzaakte, om langs
denzelfden weg terug te keeren. Was ik zoo voor-
zigtig geweest, om aan het begin van eiken gang
zeker teeken te plaatsen, dat ons het vinden van den
terugweg gemakkelijk kon maken, dan had ik den
angst kunnen ontwijken, waarin wij vervolgeiis ge-
raakten: want deze onvoorzigtigheid deed ons meer
dan een kwartier uurs in de grootste verlegenheid
omdwalen. — Eindelijk vonden wij den weg, en kwa-
men , afgemat van vermoeidheid, ten tien ure des
nachts in de hoofdstad.
Hoe vermoeid' ik ook was, zoo besloot ik echter
het hol verder op te nemen, zoo lang mijne lichten
zulks veroorloofden. Wij traden nu in den vijfden en
laatsten gang, die omtrent 900 Engelsche ellen zuid-
oostelijk liep. Door dezen gang kwamen wij in eene
vijfde stad. Dit was eene ruimte, die eene uitgestrekt-
heid van vier akkers lands had, en waarvan de grond
met stukken kalksteen bedekt was. Wij gingen naar
de overzijde, en traden daar eenen gang binnen, die
ons omtrent 250 roeden oostelijk leidde, waar wij,
omdat deze weg niets belangrijks opleverde, terug
keerden, en den weg nartien over eenen grooten hoop
steenen, in eenen wijden gang,, die slechts weinige
Engelsche mijlen van de laatstgenoemde stad verwij-
derd was, zoo als ik bespeurde, toen ik er ui'
trad. Nadat wij met moeite over deze steenhooper
gekomen waren, bevonden wij ons in eenen ruimei
gang, welks wanden de volkomenste \Vkren van allen
die wij zagen, dewijl zij 500 roeden bijna regt zui
delijk, zeer vlak • en glad, en door een fraai gewei
overdekt, voortliepen. Toen wij aan het einde va:
dezen gang waren, en terwijl ik eene teekening va
het hol maakte, riep een mijner gidsen, die eenige