Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
noordelijk, voerde, tot dat wij door eenen anderen
gang in de hoofdstad terng kwamen, nadat wij meer
dan vijf mijlen door verschillende gangen gegaan wa-
ren.
Niet verre van het middelpunt dezer duistere ruim-
te, rustten wij eenige minuten uit op eenen hoop
kalksteen,, en nadat wij ons ververscht en onze lam-
pen in orde gebragt hadden, ondernamen wij eenen
tweeden togt door eenen gang, die bijna noordwaarts
en evenwijdig liep met dien, welke uit de hoofdstad
naar den mond van het hol leidde. Door dezen gang
gingen wij twee mijlen verder, en kwamen toen in
eene tweede stad. Van deze was het gewelf in
het middelpunt bijna 200 voet hoog. Deze ruimte had
veel oveieenkomst met de hoofdstad, met dat onder-
scheid, dat er slechts twee gangen op uitliepen.
Wij gingen door deze stad over eenige verheven-
heid, die zich in het middelpunt bevindt, in eenen
nederwaarts loopenden gang, die ons omtrent 300 roe-
den verre oostwaai ts bragt, waar wij eene derde stad
aantroffen, die nagenoeg 100 voet breed en 50 voet
hoog was. Ter hoogte van 30 voet kwam uit ha-
ren wand een stroom te voorschijn, die op eenige
stukken steen nederstortte, waarna wij dien geheel
uit het oog verloren. Nadat wij ter lengte van eenige
Engelsche ellen dezen stroom doorwaad hadden, te-
vonden wij ons aan het einde van den gang.
Wij keerden, derhalve terug, en ti-aden op den af-
stand van omtrent 100 Engelsche ellen van daar, over
vrij hooge steenhoopen, ter regterzijde, eenen smal-
len gang in, die ons,^ te midden der dikste duister-
nis, meer dan eene mijl verre zuidelijk voerde, waar
wij eenen stellen heuvel, omtrent 60 Engelsche ellen
hoog, beslegen, die óns in eene vierde stad bragt,
die in grootte veel overeenkomst met de tweede had,
naardien haar gewelf eene vlakte van zes akkers land«
oveidekte. In dezen laatsten gang, waarvan het ein-
de vier mijlen van de hoofdstad, en tien mijlen van
den mond van het hol verwijderd moet zijn, ziet
men aan beide zijden meer dan twintig hoopen sal- ■
peter-aarde en eene menigte stukken kalksteen op een