Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
1
den ingang tot de tweede groef, tot wanden op een
gestapeld. De weg is vast en glad, even als of hij
geplaveid was. De wanden waren overal loodregt,
de verwulven regelmatig, en zoo vast, dat zij het
geweld der aardbevingen konden tegenstand bieden.
Uit deze tweede groef gaat men door eenen gang eerst
eene mijl westwaarts, en dan zuid westwaarts, naar
de hoofdstad, welke zes mijlen van den ingang
is. — Den naam van hoofdstad heefl men aan de ver-
bazende ruimte gegeven, die men in het hol vindt,
en alwaar verscheidene gangen elkander doorsnij-
den. — De gang, waardoor wij in de hoofdstad kwamen ,
was van 60 tot 100 voet hoog, en bijna van dezelf-
de breedte, te rekenen van het einde der tweede
groef tot aan de kruisgangen of de hoofdstad. De
grond was overal tamelijk vlak, en met stukken
kalksteen en salpeter bedekt. Toen ik deze vei'bazen-
de ruimte bereikt had, waarvan de uitgestrektheid
meer dan acht akkers lands besloeg, door een hoog
gewelf ovei-dekt, dat door geenen enkelen pilaar on-
derschraagd werd, was ik van verwondering als bui-
ten mij zeiven. Ik kan van deze hoofdstad anderen
niet dan eene onvolkomene voorstelling geven. Niets
verhevener en grootscher in de natuur kan men
zich verbeelden dan deze plaats, die door een en-
kel vast gewelf, van ten minste 100 voet hoog, be-
dekt is.
Na onze intrede in de hoofdstad, bespeurde ik vijl
gangen, die er in uitkwamen, welke gangen van 60
tot 100 voet wijd, en van 40 tot 80 voet hoog wa-
ren. De wanden zijn van boven gewelfd, doch be-
reiken eerst eene loodregte hoogte van 40 tot 80 voet,
eer het gewelf begint.
De eerste gang, welken wij hier intraden, nadal
ik de onder onze voelen liggende steenen met pijlen
gemerkt had, waarvan de punt naar den ingang var
het hol wees, ten einde bij het terug keeren ons ir
den weg niet te vergissen, leidde ons meer dan twe<
mijlen verre in eene zuidelijke rigting. Wij verlietei
dien, en kozen eenen anderen weg, die ons mee:
dan twee mijlen verder, eerst oostelijk en daami