Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
spleet henen gerukt, dewijl' hij aan den eenen kant
vast zit, en aan den anderen kant in eene laag van
aarde ligt.
De weg naar de brug loopt door een digt bosch en
over eenen heuvel. Heeft men dezen bijna tot aan
den top bereikt, dan houden de boornen terstond op;
men doet eenige schreden naar deze opene plaats, en
bevindt zich, niet zonder schrik, aan den rand van
eenen vreeselijken afgrond. Men is op de -brug zelve.
Aan de eene zijde kan men haren rand zonder gevaar
naderen, en daarover loodregt in den afgrond ne-
derzien, omdat de rots zelve hier eene soort van borst-
wering heeft. Aan den anderen kant echter doet men
dit niet zonder gevaar, want hier is geene borstwe-
ring, en de grond is naar deze zijde glooijend. De
helling van de brug is met hooge boomen, meestal
wilgen en ceders, bedekt. Voor dezen was de andere
zijde der brug ook met boomen bezet, en men zou
toen over de brug hebben kunnen gaan, zonder te
vermoeden, dat men er op was, want zij heeft eene
breedte van 80 voet. Om te zien, hoe de boomen
in den afgrond zouden nederstorten, hebben som-
migen ze afgehouwen.
Eenige voelen van de brug af, slingert, tot in den
grond, een smal voetpad, langs de eene zijde van de
spleet, tusschen groote stukken rots en boomen door.
Hier heeft men een groolsch en treffend gezigt op den
boog. Het geheel schijnt door menschen-handen ge-
vormd of voltooid te zijn. De giootsle hoogte van
de brug is 213 voet, de dikte van den boog 40, de
bovenste spanning er van 90, de ruimte tusschen de
schoren, die uil kalksteen beslaan, 50 voet. Eene
kleine beek, Cedar Creek genoemd, ruischt, over
stukken rots, tusschen de spleet door, en ze^ het
geheele tafereel nog meer schoonheid en leven bij. Digt
aan de brug neemt de spleet, en zoo ook de beek,
plotseling eene wending, zoo dat men, beneden staan-
de en door 'den boog heen ziende, slechts 150 voet
verre kan zien.
De beide wanden van de scheur zijn digt met boo-
men bezet, waar tusschen, Iiier en daar, groote brok-