Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
eene kleine kaan lag, waarmede men naar den ande-
ren kant werd overgezet. , Deze vaart ging onder zulk
een laag gewelf, dat men bukken moest, om het
hoofd niet te stooten. Het licht der fakkels spiegelde
zich iu duizendvoudige stralen in de oppervlakte van
het meer; de rook steeg in de hoogte, e"n de bleeke
schaduwen der bezoekers dezer plaats geleken naar de
fabelachtige geesten der beneden - werelil. Deze kaan
kon niet meer dan een persoon bevatten, en werd
door den gids al wadende over het meer getrok-
ken. — Thans kwamén wij in een hol, dat 270 voet lang,
120 voet hoog en 210 voet breed was, aan welks
einde men weder water vond, waar langs een voet-
pad liep. Uit dit hol 'kwam men in een ander, dat
den naam van kerk draagt, en dat zeer hooge gewel-
ven heeft. Men meent er deuren en Gothische ven-
sters in te zien, en de zuilen van dropsteen, die van
het gewelf nederdalen , geven aan deze plaats het voor-
k9men van eenen ouden Gothischen Dom. — Van hier
ging men'in een ander hol, waaruit men aan eenen
zandheuvel kwam, waarvan men ter diepte van 150
voet nederdaalde. Hier stroomt een water murmelend
in een kanaal, en stort bruisend in diepe holen ne-
der. Verder vormen de rotsen drie cirkelvormige bo-
gen, bijna als de bogen eener brug. Op eenen ver-
deren afstand hoort men het geruisch des waters,
en ziet men eenen zuilvormigen klomp steen, die de
toren van Lincoln genoemd wordt. Nu komt men
in eenen nieuwen gang, die nog 500 voet verder
loopt, en aan welks einde de reeds gedoemde beek
weder te voorscliijn komt, uit een gewelf, dat ech-
ter zOo regelmatig is, als of het door kunst gevormd
was. Hier eindigde de onderaardsche wandeling van
ten minste 2742 voet.
Aan de zuidzijde van Mendip - Hills is eene ver-
maarde grot, die bekend is onder den naam van