Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
In Zwitserland,
In de bergen van Zwitserland vindt men ook eene
menigte holen. Op zekere plaats ziet men de zon schij-
nen door den berg Fieschhorn. In den Pilatus-
berg, in het Kanton Lucern, is een hol, waarvan
de ingang 16 voet hoog en 9 voet breed is; tien
schreden dieper, is het wel 20 voet breed en 14 voet
hoog, wordende allengs weder en^er. Zoo men op de
berigten kan staat maken, dan is dit hol meer dan
300 schreden diep.
Op den Rigi-berg zijn verscheidene holen; uit een
dezer komt eene groote ijskoude bron voort. Men kan
wel 170 vademen diep in het hol ingaan.
Bij de Rigistafel, tegen het westen, is een hol,
het Ressisboden-loch genoemd, dat onder aan den berg
eenen uitgang schijnt te hebben, want als men daarin
eenen steen werpt, hoort men dien zeer lang tegen
de rotsen heen en weder stuiten, tot dat hij einde-
lijk onder aan den berg weder te voorschijn komt.
In de eene zijde van den hoogen berg Gammor, in
het gebied van Appenzell, is een hol, waarvan de in-
gang zeer eng is, zoo dat men op sommige plaatsen
op handen en voeten moet kruipen om- er in en door
te komen, doch op andere plaatsen is het tamelijk
wijd. Tot 144 voet verre, kan men in deze grot komen.
Men vindt er eene menigte ruitvormige kristallen.
In Italië,
In Italië heeft men de bekende Hondsgrot, Grotta
del Cane, vier mijlen van Napels, naar den kant
van Pozzuolo. Deze grot heeft dien naam verkregen,
omdat een hond, wanneer men dien daarin werpt,
of even boven den grond een' tijd lang vasthoudt ,
terstond sterft. Hooger boven den grond, heeft een
hond, of eenig ander dier, dit gevaar niet, omdat
de vergiftige en doodelijke dampen en uitwasemingen
aag bi] den grond blijven hangen.