Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
36
In Frankryk.
O
Bij Grenoble heeft men eene beroemde grot — grotte
de notre dame de la Balme genoemd — die zich
bij den ingang als een hoog gewelf vertoont. De in-
gang is 4 of 5 toises breed en 5 of 8 toises hoog.
Onder aan dezen ingang komt een stroompje te voor-
schijn, dat zich in de Rhone ontlast. Dit hol ver-
deelt zich daarna in twee bijzondere gangen of ho-
len. In dat ter linkerzijde ziet men het water neder-
druppelen, waardoor gedeeltelijk het beekje gevormd
wordt. Dit water valt in eenen natuurlijken water-
bak , waaronder verscheidene kleinere zgn. Het wa-
ter , van den eenen in den anderen bak loopende,
maakt zoo verscheidene watervallen. In het binnenste
van dit hol is eene soort van opening, in de rots
uitgehold, aan welker voet het water gezien wordt,
dat aan gezegd beekje het meeste voedsel verschaft.
Eene andere grot vindt meii in Bourgogne, niet
verre van Vermenton, Men gaat in deze grot door
eenen hoogen boog. De weg, die door dezen boog ge-
opend wordt, vernaauwt zich eerst, en wordt dan
weder wijder. De grot zelve schijnt 8 of 10 toises
breed, en tqsschen de 200 en 300 toises lang, schoon
men wegens de duisterheid de lengte niet juist kan
bepalen. Op sommige plaatsen schijnt de hoogte 20,
oj) andere 25, en op andere weder 30 voeten te
zijn. Aan de gewelven en wanden van het hol ziet
men eene menigte kristallen hangen, die de zonder-
lingste gedaanten vormen. Vervolgens treft men in
dit hol eenen poel aan van 5 toises breed en 15 of
20 toises lang, benevens verscheidene waterbakken,
die als door de geheele grot verspreid zijn, en het
verder indringen beletten, zoo dat men aan het. ein-
de niet kan komen.