Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
den, om daarin te kannen groeijen, die nn jaar-
lijks, door hunne bladen, deze aardlaag aanmerkel^
vermeerderen.
door den menscn.
Hoe veel heeft de mensch door zijn verstand en zijne
wei'kzaamheid niet aan de oppervlakte der aarde ver-
anderd ! Ons vaderland, thans zoo digt bebouwd en
bewoond, was eertijds, voornamelijk het noordelijk
gedeelte, niet dan moeras en slibbe. Hoe vele veen-
plassen zijn in vruchtbaar land veranderd; hoe vele
moerassige^ gronden zijn door het graven, van kanalen
en slooten, om het water af te leiden, in bouw - ed
weilanden herschapen; hoe vele dorre heigronden Ier
veren thans voedsel voor mensch en vèe, en hoe
zeer i« men er thans nog op bedacht, niet alleen
om elk plekje gronds te nutte aan te wenden, maar
ook om nieuwe gronden voor den landbouw en de
veeteelt te winnen,
Hoe veel de vlijt der menschen in eene eeuw ter
verandering van de oppervlakte des aardbols doen
kan, bewijzen de Noord- Amerikaansche Staten. De-
ze groote landen waren, toen de Europeërs zich daar
begonnen te vestigen, niet dan bosschen van eene
verbazende uitgestrektheid, door meren en moerassen
algewisseld. Slechts met moeite konden eenige horden
wilden, die onderling steeds in vijandschap leefden,
en daardoor reeds hun klein aantal verzwakten, in
zulke wildernissen een ellendig verblijf vinden, en
zich kommerlijk met wild voeden. — Zoo was in ou-
de tijden DuUschland ook; een land met bosschen
bedekt, om welke door te trekken, men twee maan-
den noodig had; een land, waarvan de woeste grond
een treurig en verwilderd aanzien had, en waar
zulk eene ruwe luchtsgesleldheid heerschte, dat alleen
de inboorlingen haar konden verduren. Zoo was
DuUschland, -zoo was ons vaderland, zoo was Ame-
rika! Hoe zeer is thans de gedaante dezer landen