Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
fen er voedsel aan papegaaijen, duiven en eenig ander
pevogelle, aan welker voorzaten het eiland waorscliiju«
fijk zijn eerste plantgewas te danken heeft.
door den guoei dir puaik.7.
De natuur werkt ook in stilte! Wat wordt er
niet vereischt, eer het zaadje een boom is ? Hoe zet
zich de kiem uit; znigt liet voedsel uit de aai-de;
verspreidt hare wortels verre in de rondte en in de
diepte, tot de zich ontwikkelende kiem uit de aarde
te voorschijn komt. Nu trekt zij ook haar voedsel
uit den dampkring; neemt elk oogenblik liiclit, dam-
pen, water, licht en warmte op; scheidt weder damp
en luchtsoorten af, wasemt ze uit, en neemt daar-
bij ook in grootte toe, tol de boom zyn' volkomen
wasdom bereikt heeft. Nu begint hij te sterven;
lost zich allengs in water en lucht op, tol hij ge-
heel verdwenen is, en niets overlaat dan eene klei-
ne heeveelheid aarde. De verandering, die een en-
kele boom ondergaat, laat zich voorzeker naauwelijks
bemerken; doch men bedenke, dat geheele bosschen,
die honderden vierkante mijlen beslaan, op gelij-
ke wijze, schoon niet in eens, ontstaan en verdwij-
nen.
Stort eenen droogen hoop aarde neder, en zie in
welken korlen tijd de natuur dien met gras en an-
dere planten bedekt heeft. Waar eene naakte rots is,
daar vertoonen zich eerst vele wieren, en niemand
weet genoegzaam van waar en hoe die aldaar ontslaan,
De wieren vinden hun voedsel in de geringste voch-
tigheid der lucht en in luchlvormige sloffen, en
wanneer zij vergaan zijn, laten zij eene dunne, korsl
aarde over, waarin reeds eenige mossoorten kunner
wassen. Deze geven weder nieuwe aarde, loeieikenc
voor den groei van gras en kruiden, tot eindelijl
heesters en boomen eene genoegzame laag aaide vin