Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
vormd wordt. Ten oosten en noordoosten van de
Societeits-eilanden, liggen eene groote menigte lage
eilanden, die voor een CTOot gedeelte boven Jiet wa-
ter uitsteken, en door riflèn, die altijd, of ten min-
ste ten tijde van den vloed, overstroomd worden,
verbonden zijn. De boven het water uitstekende of
drooge plaatsen zijn met schulpzand en vergruisden
koraalsteen bedekt, waarbij somtijds eene geringe hoe-
veelheid tuinaarde komt, ontstaan door de uitwerpse-
len der vogelen en door vergane planten. Kokospal-
men , benevens eenige heesters en kruiden, die tegen
den scorbut dienen, groeijen hier, schoon slechts op
de hoogste plaatsen. Daar de vloed overloopt, wil
geen gewas groeijen. Het rif, of de ring van klip-
pen, die verscheidene zoodanige eilanden aan elkan-
der verbindt, sluit altijd een vischrijk meer in. Som-
tijds vindt men eene opening in het rif, waardoor
eene sloep of boot in zee zou kunnen komen, doch
voor schepen zijn deze kanalen niet diep genoeg.
Het rif, of het eerste beginsel dezer vlakke eilan-
den, wordt door de koraal-dieren tot . op eenen klei-
nen afstand van de oppervlakte der zee opgebouwd.
De baren spoelen van tijd tot tijd allerlei sooilen van
schulpen, zeegras, stukken koraal, zand en andere
zelfstandigheden op dezen pas gebouwden muur, die,
door deze bijvoegsels verhoogd, ten laatste uit het
water te voorschijn komt. De zee gaat nog voort
daarop nieuwe vasle deelen te werpen, en brengt
daarop ook de zaden van waterplanten, zoo dit laat-
ste misschien niet door eenen of anderen watervo-
gel gedaan wordt. De wasdom, de voortplanting en
het vergaan van deze bewerktuigde ligchamen geeft
eindelijk eenen voorraad van tuinaarde. Hoe ligt wordt
er nu door de zee op dezen grond eene kokosnoot
geworpen, die haar groeijend vermogen eenen langen
lijd behoudt, en in allerlei soorten van grond wor-
tel schiet. Op deze wijze, laat het zich verklaren,
hoe de schoonste bosschen van kokospalmen, op alle
lage eilanden, van tijd lot tijd ontstaan zijn.
De wormen, die het rif opbouwen, schijnen een
instinkt te hebben, om hunne woningen tegen den