Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
veehplassen, meer dan 30000 morgen uilmakéh. Welk
een verbazend gemis van land in dit tijdsverloop, en
lioe wensclielijk is het derhalve, dat er aan deze af-
neming perk worde gesteld.
dciner en zasd verst dl vingen.
Het uitwerksel, hetwelk de zee, zonder hulp der
rivieren, ter vermeerdering van den grond voortbrengt,
is minder gelukkig. Wanneer de kusten laag zijn,
en de grond zandig is, dan voeren de baren het
zand naar den oevef. Bij elke ebbe droogt er een ge-
deelte van dit zand, en de wind, die dikwijls uit
zee waait, voei t het op de vlakten. Op deze wijze
ontstaan de duinen , die voorzeker de zee binnen ha-
re oevers beperken, doch ook, wanneer de mensch
ze niet weet te beplanten, en dus voor verstui-
ven te behoeden, langzaam het naar binnen gelegene
land bedekken, naardien dezelfde wjnd, die eerst het
zand tot heuvels ophoopte, nu ook het zand van hun-
ne toppen dieper landwaarts indryft.
Wij bespeuren in ons vaderland hier en daar de na-
ß.eelige gevolgen van zoodanige zandverstuiving, en zou-
den die in meerdere mate ondervinden, indien men
niet bestendig bedacht en werkzaam was, om die
di^inen, welke het meest aan den wind blootgesteld
zijn, door beplanting voor verdere verstuiving te be-
hoeden. Niets echter kan hier in vergelijking gebragt
worden met de verwoesting, welke dergelijke zandvloed
' in andere landen aanrigt.
Het'*zand der Lybische Woestijn, AaX door den wes-
teji wind voortgestuwd wordt, heeft nergens eenig
];>nd ter bebouwing overgelaten, dat niet aan de west-
zijde door gebergte beschermd wordt. Denon ver-
haalt, dat men de spitsen der ruïnen van oude ste-
den, die onder dit zand bedolven liggen, nog ge-
waar wordt, en dat de linkeroever van den Nijl
reeds lang onbewoonbaar zoude geweest zijn, indien eene
bergketen, de Lybische genoemd,, die tusschen den