Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
dit water op de bergen plotseling vermeerderd, ea
stort, met eene hieraan gecvenredigde snelheid, langs
de helling naar beneden. Het stoot met geweld tegen
den voet dier opeenstapeling van rotsstukken, die de
zijden van alle hooge dalen bedekken; de reeds afge-
ronde stukken, waaruit deze opeenhooping bestaat,
worden daardoor medegevoerd; zij worden allengs meer
en meer afgeslepen, en wel naar mate zij verder
voortgedreven worden. In de dalen, waar de val
dezer stukken afneemt, of in de breedere bekkens,
waarin zij zich kunnen uitbreiden, voert de stroom
de zwaarste stukken naar den oever, terwijl de lia-
tere verder voortgesleept worden, komende er in de
bedding der rivieren echter niet veel meer dan de
fijnste slibbe.
Dikwijls gaat de loop dezer stroomen, eer het de
lager gelegene rivieren vormt, door een of ander
wijd meer, waarin dan de slibbe en andere deelen,
die het water medevoerde, achter blijven, zoo dat
de stroom helder daaruit te voorschijn komt. Heeft
dit water zijnen oorsprong in lagere streken, zoo
als alle beken, die uit net lagere gebergte of uit
heuvelen voortkomen, het brengt niet te min in meer-
dere of mindere mate op den bodem dergelijke uit-
werkselen voort als de hooge bergstroomen. Zwellen
deze wateren door den regen op, dan grijpen zij den
voet der aard- en zandheuvelen aan, die zij in hun-
nen loop ontmoeten, en voeren een gedeelte er
van op het lager gelegene land, dat zij over-
stroomen, hetwelk door elke overstrooming op eene
of andere wijze in hoogte toeneemt. Wanneer, ein-
delijk, de stroom den oceaan of eenig meer genaderd
is, en de snelheid, waardoor het water de slibbe
en andere ligchamen medevoert, plotseling ophoudt,
dan laat het de medegevoerde deelen zinken, waar-
door nu land gevormd wordt, dat de kusten ver-
lengt of verder uitbreidt. Is de kust van dien
aard, dat de zee ook van haren kant zand en an-
dere deelen aanvoert, dan neemt de grond des te
sneller toe.
De meren, lage landen, moerassen en zeehavens,