Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
door de vlugt er voor kunnen beveiligen. Naardien
de sneeuw bij deze soort van lawinen niet zoo sterk
op een pakt, maar luchtiger en boller is, zoo kan men
zich ook ligter uit dergelijke lawinen redden, of lan-
ger het leven er onder behouden, zoo als blijkt aan men-
schen , die, zonder te verslikken, het vier en twintig
uren onder de sneeuw uilgehouden hebben.
De tweede soort wordt slag - lawinen genoemd, om-
dat zij niet zoo zeer door den wind, als wel door
haar eigen gewigt, alles ter nedervverpt. Deze lawi-
nen bestaan niet alleen uit digt op een gepakte sneeuw,
maar zelfs uit boomen, rotsensteenen en den grond
zeiven, die zij medeslepen en met zich vereenigen.
De uitwerking dezer lawinen is verschrikkelijk. Zn
doen niet alleen den mensch, die er onder geraakt^
verstikken, maar verpletteren ook op de ellendigste
wijze menschen en vee door de zware ligchamen,
die zij medevoeren. In dit opzigt zijn zij gevaarlij-
ker dan de eerste, doch in een ander opzigt we-
der niet, naardien haar val niet zoo snel en ook
zoo plotseling is, en zij ook niet aulk eene groote
ruimte beslaan, waarom men het gevaar nog zou
kunnen ontwijken, indien men den val in tjjds
genoeg gewaar wordt.
AASSIIBBEK E!» OVERSTKOOaM.
Het water, dat op den top en rng van het ge-
bergte valt, of de dampen, die zich aldaar ver-
dik! :en, of de sneeuw, die aldaar smelt, vloeit
langs de oppervlakte. Het neemt eenige deeltjes
dier oppervlakte mede, en vormt er daardoor
naauwe groeven in. Weldra vereenigen zich deze
groeven tot eene diepei-e uitholling. Langs de-
zen weg vliet het in de dalen, waardoor deze
waterstroompjes allengs tot beken en rivieren aan-
groeijen, en het water in zee terug voeren, waar-
uit de dampkring het eerst ontvangen had. Door
het smelten der sneeuw, of door regenbuijen, woi-dt