Boekgegevens
Titel: Karaktertrekken, getrokken uit de algemeene en vaderlandsche geschiedenissen: een leesboek voor de derde klasse, ten dienste der scholen
Deel: 1e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1818
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 830
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200082
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Karaktertrekken, getrokken uit de algemeene en vaderlandsche geschiedenissen: een leesboek voor de derde klasse, ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
C 35 )
beeldelooze geflrengheid te ftrafien; dat te dien eiiida
de maan dienzelfden nacht haar licht zoude intrek-
ken, en zich bloedkleurig vertoonen, ten teeken en
zinnebeeld van de Goddelijke wraak, welke gereed
was tegen hen Ins te barsten. Naar deze voorfpel-
ling, luisterden fommigen met zorgelooze onver-
fchilligheid, en anderen met ligtgeloovige verbaasd-
heid ; doch , toen op den gezegden tijd de maans-
verduistering voorviel, werden zij allen met fcliirik
bevangen. Vol Verbaasdheid lieperi zij naar hunne
woningen, en keerden met levensmiddelen beladen toe
C 01 u m b u s, voor wiens voeten zij zich hederwier«
pen, hem fmeekende, dat hij toch den toorn vaa
dien grooten Geest zou trachten te verzoenen. C o-
lumbus geliet zich, als of hij door hun verzoek
bewogen werdj en beloofde hunne begeerten te zul-
len volbrengen. De maansverduistering eindigde, eft
dit hemellicht vertoonde zich, tot groote vreugde
van de beangfte Amerikanen, even helder als te vo-
ren. Zeker is het, dat zij meermalen eene maans-
verduistering gezien hadden; doch zij konden niet
befcffen ^ dat het iemaiid mogelijk wai-e, om dit
vooraf te voorfpellen. Deze welgeflaagde list had
het gewenschte gevolg, zoo dat Columbus, ge-
durende al den tijd ^ dien hij naar zijne uitgezondene
reisgeUooten wachten moest, benevens zijn volk, niet
alleen ruim van levensmiddelen voorzien , maar ook
ihet allen eerbied behandeld werd.
Waarom mo^cn wij van het bijgeloof en de oh'
kunde der menfchen geen gebruik maken, om onzê
oogmerken te bereiken?
Als v/ij echter door zamenloöp van omßandighe-
den gedrongen zijn, om tot eenige list onze toevlugt
te nemen, vat moeten y/ij dan vooral in het i>og
houden ?
C a lêé