Boekgegevens
Titel: Karaktertrekken, getrokken uit de algemeene en vaderlandsche geschiedenissen: een leesboek voor de derde klasse, ten dienste der scholen
Deel: 1e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1818
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 830
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200082
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Karaktertrekken, getrokken uit de algemeene en vaderlandsche geschiedenissen: een leesboek voor de derde klasse, ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
( )
wet dat gevolg, dat dezelve luid toegejuicht en
geprezen Ärerden; Ichoon zij na'uwdijks onder de
tniddelmatige konden geiarigi(;hikc worden. Echter
beiat de koning een te goed oordeel, om nitt te
bemerken en te weten, dac de iiovelingen zulks de-
dtii, om hem te vleijen, eq iat zijn arbeid dien
lof in geenen deele verdiende. Op zekeren tijd had
Jhii een klein dichtllukjï vervaardigd, hetwelk hem
bij het nalezen geene de minste waarde fcheen t^
hebben, i-lij liet dit aan den maarfchalk van Gram-
mond zien, zeggende: , ei! lees dit vers eens.
Men weet, dat ik federt eenigen tijd veel van ge-
,, dichten houd en daarom overlaadt men mij dage-
5, liiks met foortgeliike verzen: zeg mij eens open-
„ hartig, of gij wel ooit flechter fluk gelezen hebt?"
De maarfchalk las het met de grootfle oplettendheid,
en antwoordde: ,, Sire ! gij oordeelt over alles zeer
juist; ik moet bekennen, dat het de allcrgebrek-
•„ kigfte rijmerij is, die ik ooit gelezen heb.^' L o-
dewiik werd hierover zeer misnoegd: op Gram-
mond denkt gij? Neen! over zich zeiven. Echter
trachtte hij zijn verdriet te ontveinzen, en vervolg-
de: „ een domkop alleen was in flaat om zulk ee-
„ nen onzin voor den dag te brengen." ,, Ik kan
„ hem geen' anderen naam geven," hernam Gram-
mond. „O, voortreffelijk!'' riep de koning lag-
Chend uit, „ het is mij lief, dat ik omtrent mijne
,, begaafdheid als dichter eens de waarheid hoore:
,, ik zelf ben er de maker van...." De maar-
fchalk geraakte hierdoor in de grootfte verlegenheid,
^n poogde de waarheid te herroepen: ,, vergeef mij,
o Sire!" zeide hii, „ gij hebt mij waarlijk ver^
,, rast; het was mij niet mogelijk, om het in de
a, haast, met de vereischte aandacht, tc lezen: zoo
3, uwe majefleit mij vergunnen wil' . . . „ Neen
ee^n!" viel Lodev?ö^ hem in de rede, uwe
„eerfte