Boekgegevens
Titel: Zaadkorrels: vertellingen ten dienste van de zedelijke opvoeding der leerlingen van 6 tot 8 jaar
Auteur: Ankum, L. van
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1897
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 08-237
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200070
Onderwerp: Pedagogiek: ethische vorming (pedagogiek)
Trefwoord: Deugden, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorrels: vertellingen ten dienste van de zedelijke opvoeding der leerlingen van 6 tot 8 jaar
Vorige scan Volgende scanScanned page
oefening wordt verkregen. Goed vertellen is vooral dan eene moeilijke
kunst, als men jonge kinderen voor zich heeft. Wie in de gelegenheid
is, goede vertellers te hooren, verzuime vooral niet, van die gelegenheid
te profiteeren.
Wie die kunst vifil leeren, sla ook de kinderen gade, als zij elkander
iets vertellen. Hij lette op hunne woorden, op de uitdrukking van hun
gelaat en op hunne gebaren. Hij merke vooral op, dat de kinderen alles
om zich heen vergeten, en met hart en ziel bij de vertelling zijn. Hoe
beter men hen in dit opzicht kan navolgen, des te gemakkelijker zal het
vallen, de juiste woorden te vinden en den rechten toon te treffen.
Men spreekt anders dan men schrijft, en daarom zal een goed ver-
teller de verhaaltjes niet woordelijk navertellen, maar ze hier en daar wat
opsieren, verduidelijken en veraanschouwelijken. Zoo is b.v. ook het
gebruik van pleonasmen in de vertellingen voor jonge kinderen geoorloofd.
Maar eene goede woordenkeus is niet voldoende. Door uitdrukking
van gelaat en door gebaren, en vooral door den toon moet alles zoo
aanschouwelijk mogelijk gemaakt worden. Toon en gebaren maken de
vertellingen vooral voor jonge leerlingen aantrekkelijk. En voor jonge
kinderen zijn ze tevens eene behoefte: zij vullen de beteekenis der woor-
den aan en verklaren ze.
Daar de toon tot het gemoed spreekt, zij die steeds in overeenstem-
ming met het verhaal: vroolijk of treurig, dreigend of smeekend, vragend
of bevelend, enz. In het sprookje van den wolf en de zeven geitjes b.v.,
moet de stemverandering van den wolf goed nagebootst worden: de oude
geit moet bij hare terugkomst een heel anderen toon aanslaan dan bij haar
vertrek; enz.
Zoo het mogelijk is, voere men de menschen en dieren sprekende
in. De vertelling moet gedramatiseerd worden; daardoor wint ze aanmer-
kelijk in aanschouwelijkheid en levendigheid.
Wie iets aan jonge kinderen vertelt, spreke vooral langzaam en dui-
delijk , anders kunnen zij 't verhaal moeilijk volgen. Trek voor trek moet
met kleuren en fleuren worden verhaald. Men verteile omstandig en
breedvoerig, zonder lang wij lig te worden. Men vereenvoudige alles, zon-
der iets weg te laten, en late vooral het bijzonäfere en eigenaardige dui-