Boekgegevens
Titel: Abrégé de la grammaire française
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1866
2e éd; 1e dr.: 1855
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1036
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200062
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Abrégé de la grammaire française
Vorige scan Volgende scanScanned page
139.
inr.omprébciisible, adj., onhe-
grijpelîjk.
incomplexc, adj., uiet aanvul-
lend.
indéfini, onbepaald.
indépendant, adj., onhafhan-
kelijk.
indéternfii némen t, adv., onbe-
paald.
indiquer, v. a., aanduiden.
indirect, adj., zijdelings.
indocile, adj., onleerzaam,.
inégalité, s. f., ongelijkheid.
inférieur à, adj.. minder dan^
lager dan.
infériorité, s. f., minder-
heid.
infinité, s. f., groote me-
nigte.
infiniment, adv., ten hoogde.
infirme, adj. ztvak^ krachte-
loos.
influence, s. f., invloed.
influer, v. n., invloed heb-
ben.
inintelligible, adj., onverstaan-
baar.
injure, s. 1., beleediging.
inquiéter, v. a, verontrusten.
inscription, s. f., opschrift.
insouciance, s. f., zorgeloos-
heid.
inspirer, v. a., inhot^zemen.
instant, s. s., oogenblik.
instruction, s. f., onderwijs.
insuffisant, adj., ongenoeg-
zaam .
I intégrant, adj., een deel van
een geheel uitmakende.
intelligence, s. f., verstandhov-
intention, s. f., voornemen.
intéresser, v. a., belang inboe-
zemen .
intérêt, s. m., belang.
intérieur, adj., imoendig.
interrogatif, adj., vragend.
interruption, s. f., storing.
intrépide, adj., onversaagd.
intrépidité, s. f., onversaagd-
heid.
s'introduire, v. p., ingevoerd
zijn, binnendringen.
inutile, adj,, nutteloos ; on-
nuttig.
invariable, adj., onverander-
lijk.
inviter, v. a., uitnoodigen.
italien , adj., italiaansch.
j.
Jaloux, adj., ./a/oew/z.
jambe, s. f., been.
jardinier, s. m., tuinman.
jeter, v. a., ictrpenwegwer-
pen.
jeu, s. m., spel.
: jeudi, s. m., donderdag.
\ jeune, adj. (lual., jong.
i jeunesse , s. f., jeugd.
i joie, s. f., vreugde.
\ joindre à, v. a., voegen bij.
\ joli, adj. quai., lief.
i joueur, s. m., speler.
jouir, v. n., genieten.