Boekgegevens
Titel: Abrégé de la grammaire française
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1866
2e éd; 1e dr.: 1855
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1036
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200062
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Abrégé de la grammaire française
Vorige scan Volgende scanScanned page
128.
attacher à, v. a., verhinden
aan.
s'attacher à, v. p., zich be-
ijveren.
attaquer, v. a., aanvallen.
atteindre, v. a., bereiken.
s'attendre à, v. p., ver-
wachten.
attendrir, v. a., vermnrwen.
attendu que, conj., vermits.
attentif, adj., oplettend,
attirer , v. a., aantrekken.
attribuer, v. a., toeschrijven.
aucun , adj. ind., geen een.
augmentation, s. f., ver-
meerdering.
s'augmenter, v. p., vermeer-
der e7i.
aurore, s. f., dageraad.
aussitôt que, conj., zoodra.
austral, adj., znidelljk.
autant, adv., evenzeer.
auteur, adj., schrijver.
autorité, s. f., gezag.
autour de, loc. prép.,
rondom.
autrui, pron. ind., een
andèr.
s'avancer sur, v. p., voort-
rukken naar.
avant-coureur, s. m., voor-
looper.
avant-dernier, adj., voor-
laatsé.
aventure, s. f. voorval.
aveulir, v. , verwittigen ^
wflarschuwen.
avertissement, s. m. waar
schuwing.
aveugle, adj., hlind.
avis, s. m., meening.
avouer, v. a., hekennen.
B.
Haie, s. f.,
bal, s. m., danspartij.
bambou, s. m., bamboes.
barbe, s. f., haard.
barrer, v. a., afsluiten.
bas, adj. quai, laag.
batavisme, s. m., uitdruk
king, aan de Nederl. taaleigen
bâtiment, s. m., gebouw
schip.
bâtir, V. a.,
se battre, v. p., met elkander
vechten.
beignet , s. m., oliekoek.
bénir, v. a., loven., zegenen
besoin, s. m., behoefte.
avoir besoin, v. n., noodi^
hebben.
bétail, s. m., vee.
beurre, s. m., boter.
bienfaisant, adj,, weldadig.
bienfait, s. m., weldaad.
blanc, adj., wit.
blessure, s. f,, wond.
blond, adj. quai,, blond.
bocage, s. m., hoschje.
boire, V. a,, drinken.
bois, s. m, homh., hout.
boiteux , adj., kreupel.