Boekgegevens
Titel: Abrégé de la grammaire française
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1866
2e éd; 1e dr.: 1855
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1036
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200062
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Abrégé de la grammaire française
Vorige scan Volgende scanScanned page
127.
aimer mieux, v. a., litx^er
willen
aise, adj., blijde.
aisément, gemakkelijk.
ajouter, v. a., er bij voegen.
altérer, v. a., veranderen.
âme, s. f., ziel.
amer, adj., hitter,
amitié, s. f., vriendschap.
amour, s. m., liefde.
amuser, v. a., vermaken.
ancien, adj., oud.
anglais, adj., engeUch.
anglais, s. m, engelschman.
animal, s. m. dier.
antécédent, s. m., betrek-
antérieur à, adj., vroeger dan.
s'apaiser, v. p., bedaren.
à peu près, loc. adv., ten
naasten bij.
s'appauvrir, v. p., verarmen,^
zich arm maken.
appartenir, v. ii., toebekoo-
rén.
appeler, v. a., roepen.
s'appeler, v. p., heeten.
appétit, s. m., eetlust.
applicable, adj., toepasselijk.
appliquer, v. a., toepassen.
s'appliquer, v. p., zich toe-
leggen.
apporter, v. a., brengen.
apposition, s. f., tweede be-
naming , bijstelling.
en apostrophe, als aange-
sproken^
appréhender, v. a., duchten.
apprendre, v. a., leer en ^ ver-
nemen.
s'approcher de, v. p., nade-
ren.
arbrisseau, s. m. heester.
arbuste, s. m. struik.
arc-en-ciel, s. m., regenboog^
are, s. in., vierkante roede.
armée, d. f., leger.
armes, s. f., wapenen.
arrière-neveu, s, m., achter-
neef.
arrière-pensée, s. f., hijgC'
dachte.
arriver, v. n., gebeuren,
\ aankomen.
arriver faute, v. -ix., verkeerd
uitkomen,
articuler, v. a., uitspreken.
articulation, s. f., uiting.
artifice, s. m., kumtenarij.
artiste, s, m., kunstenaar.
aspect, s. m., gezicht.^ blik.
aspirer à, v. n., er naar
haken.
assaisonnement, s. m., toebe-
reiding.
assassiner, v. a., vermoor*
den.
assemblage, s. m, verzame-
ling.
assiduité, s. f., ijver, vlijt.
assidûment, adv., ijverig.
assujettir, v. a., onderwer-
pen.
assurer, v. a., verzekeren.