Boekgegevens
Titel: Abrégé de la grammaire française
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1866
2e éd; 1e dr.: 1855
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1036
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200062
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Abrégé de la grammaire française
Vorige scan Volgende scanScanned page
I!\DEX ALPHABETIOÜE
DES
nots les plos difficiles contenus dans cette Grammaire.
ABEÉVIATrONS
a. signifie actif. n.
adj. }> adjectif. part.
adv. }j adverbe. P-
conj. conjonction. prép.
inde'f. » indéfini. pron
loc. adv. j> locution ad- quai, s.
verbiale.
loc. 00«j. „ locution con- u.
jonctive. V.
loc. prép. ii locution pré-
positive.
signifie neutre.
„ participe.
„ pronominal.
„ préposition.
„ pronom.
„ qualificatif.
„ substantif,
unipersonnel
rerbe.
Abandonner, v. act., over-
geven, overlaten.
abattre, v. act., vellen om-
abondamment, adv , over-
vloedig.
abondant, adj., woordenrijk.
aborder, v. n., aanlanden.
absinthe, s, f., aUern..
absolu, adj., volstrekt.
absolument, adv., volstrek-
telijk.
absout, part., vrijgesproken,
ontslagen.
s'abstenir, v. pr., zich ont-
houden.
abstrait, adf., afgetrokken,
abuser, v. n.. misbruik ma-
ken.
accabler, v. act., overstelpen.