Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
67
afleest, bemerkt men dat het water in het kokertje met den doffen
wand veel sterker is verwarmd geworden dan het water, dat zich
in het andere kokertje bevindt.
Voorwerpen met eene doffe en riiwe oppervlakte absorbeeren veel
meer stralende warmte dan diezelfde voorwerpen met eene gepolijste
oppervlakte.
Bepaalt men in den zomer de temperatuur van verschillende stof-
fen , die op dezelfde wijze door de zpn worden beschenen, dan ont-
dekt men dat de eene veel warmer is dan de andere. Het zand en
de zwarte tuinaarde worden veel warmer dan de gladde steenen. Dit
verschil in temperatuur is het gevolg van hun verschil in opslorpend
vermogen 'j. Alle vaste lichamen nemen eene hoogere temperatuur
aan dan de lucht, wanneer zij door de zon worden beschenen; zij
absorbeeren meer warmte dan de lucht. Daarom kan men de tempe-
ratuur der lucht niet bepalen met eenen thermometer, die in de zon
hangt. Zulk een thermometer geeft altijd eene temperatuur aan, die
veel hooger is dan de temperatuur der lucht.
134®'® Proef. Men vult de twee kokertjes van de vorige proef met
kokend water, sluit ze met kurken en plaatst ze op eenen slechten
warmtegeleider, op papier, bijv. Zij stralen beiden warmte uit. Men
onderzoekt, na verloop van eenige minuten, de temperatuur van
het water in de beide kokertjes. Het water in het kokertje, dat met
lampzwart bedekt is, heeft zich veel meer verkoeld dan het water in
het andere kokertje.
Voorwerpen met eene doffe en ruwe oppervlakte stralen veel meer
warmte uit dan diezelfde voorwerpen tnet eene gepolijste opper-
vlakte.
Wil men dus een voorwerp warmte doen uitstralen, dan moet
men het liefst eene ruwe oppervlakte geven. Kachels worden met
potlood bedekt; hoe minder zij glimmen, des te beter stralen zij
hunne warmte uit. Wil men daarentegen beletten, dat een voorwerp
warmte uitstraalt, dan geeft men het eene glinsterende oppervlakte;
water blijft veel langer warm in eenen gepolijsten metalen trekpot
dan in eenen aarden.
') Behalve het opslorpend vermogen is er nog eene andere eigenschap der
lichamen, die eenen grooten invloed uitoefent op de hoogte der temperatuur,
welke zij door stralende warmte aannemen. Het komt mij echter beter voor
deze eigenschap, de soortelijke warmte, hier niet nader te bespreken.