Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
65
in het glas bevindt, en dompelt boven in het water een gloeiend
stuk metaal.
Terwijl het water aan de oppervlakte zoo sterk verwarmd wordt,
dat het gedeeltelijk verkookt, rijst de temperatuur in de onderste
lagen van de vloeistof volstrekt niet. Door de proef te herhalen, na-
dat men den bol van den thermometer op eene andere hoogte in de
vloeistof gebracht heeft, kan men aantoonen dat de verwarming zich
bijna in het geheel niet naar beneden heeft voortgeplant.
Water is eene stof, die de warmte slecht geleidt. Evenzoo bijna
alle andere vloeistoffen.
Dat ook de lucht de warmte slecht geleidt, is niet gemakkelijk
door eenvoudige proeven aan te toonen. Maar men kan dit afleiden
uit verschillende feiten. Alle poreuze stoffen, die dus veel lucht in
hunne tusschenruimten bevatten, geleiden de warmte slecht. Dubbele
vensters houden in den winter de kamer warm, omdat zij de gelei-
ding der warmte van binnen naar buiten tegenhouden. In den zo-
mer daarentegen houden zij de kamer koel, omdat zij de geleiding
der warmte van buiten naar binnen bemoeilijken. Omgeeft men
eenen ijskelder door verscheidene wanden, tusschen welke zich lucht
bevindt, dan kan men het ijs ook in de zomermaanden ongesmol-
ten bewaren.
38. STRALENDE WARMTE. UITSTRALEND EN
OPSLORPEND VERMOGEN.
Wanneer men zich op eenen zekeren afstand van eene gloeiende
kachel bevindt, gevoelt men duidelijk de warmte, die de kachel
afgeeft. Men zou kunnen meenen dat deze warmte door de lucht,
die tusschen de kachel en ons lichaam is, werd voortgeleid en ons
op dezelfde wijze bereikte als bij de geleiding der warmte in eene
metalen staaf Dat dit echter niet het geval is, blijkt dadelijk, wan-
neer men een scherm voor de kachel zet. Wij voelen dan onmiddel-
lijk veel minder warmte, ofschoon de lucht, die ons hchaam omgeeft,
niet terstond in temperatuur daalt. Wij verkrijgen dus een groot deel
van de warmte, die eene kachel ons toezendt, niet door geleiding.
Deze warmte springt plotseling van de kachel op ons lichaam over,
en kan op haren weg tegengehouden worden door een scherm. Men
SFRUYT, Leiddraad. 2e druk. 5