Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
64
dragen. Men zegt, dat de eerste lichamen de u<armte slecht gelei-
den, terwijl de laatste haar goed geleiden.
Tot de lichainen , die de warmte goed geleiden, behoor en de me-
talen. Tot de slechte wartntegeleiders behooren glas en hout.
Om te voorkomen, dat het menschehjk lichaam door de koudere
lucht wordt afgekoeld, bekleedt men zich met wollen, katoenen of
linnen stoffen. Al deze stoffen zijn slechte warmtegeleiders. Wil men
vi'ater in eene flesch of kruik warm houden, dan omwikkelt men de
flesch met eenen wollen doek. Maar ook wanneer men een stuk ijs
in een warm vertrek zoo lang mogelijk voor smelting wil bewaren,
slaat men er eenige malen eenen wollen doek omheen. Hoe werkt
de wol in het laatste geval?
130-te Proef. Men droppelt eene zekere hoeveelheid spiritus op een
houten blokje, en eene andere hoeveelheid op eene koude metalen
])laat (bijv. boven op de kachel, wanneer die niet gestookt wordt).
Men beproeft nu de beide hoeveelheden spiritus met eenen bran-
denden zwavelstok aan te steken. De spiritus op het hout ontbrandt
gemakkelijk en verbrandt geheel; de spiritus op het metaal wordt
met moeite aangestoken en een gedeelte daarvan blijft onverbrand
over.
Terwijl het hout, dat de warmte slecht geleidt, weinig warmte
aan den brandenden spiritus heeft onttrokken , neernt daarentegen het
ijzer zooveel warmte van den brandenden spiritus weg, dat de ver-
branding weldra ophoudt. Nemen wij in den winter een stuk ijzer
en een stuk hout, die naast elkander in een koud vertrek hebben
gelegen, in de hand, dan wordt onze hand veel kouder door de
aanraking van het ijzer dan door de aanraking van het hout. Toch
hebben de beide stukken dezelfde temperatuur. Maar het ijzer, dat
de warmte goed geleidt, wordt tot veel grooter diepte verwarmd
door de aanraking van onze hand en onttrekt haar dus veel meer
warmte.
Wanneer wij een stuk hout en een stuk ijzer naast elkander op
de warme kachel leggen en de twee voorwerpen uren lang laten
liggen, verkrijgen zij beide dezelfde temperatuur, zooals wij met den
thermometer kunnen aantoonen. Zullen zij ons bij het aanvoelen even
warm toeschijnen?
i^jiste Proef. Men vult een cylinderglas met water, plaatst in het
water eenen thermometer op zoodanige wijze, dat de bol zich onder