Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
Vloeistoffen, wier kookpunt lager ligt dan dat van water, kun-
nen gedistilleerd worden door in die vloeistoffen waterdamp van
ioo° te leiden.
Op deze wijze distilleert men in de branderijen uit den verdun-
den spiritus, dien men uit koorn of aardappelen verkrijgt, den meer
zuiveren spiritus, dien men wenscht te bereiden. Evenzoo verkrijgt
men de vluchtige citroenolie door waterdamp van ioo° te leiden in
eene retort, waarin zich citroenschillen bevinden. Vele andere aethe-
rische oliën worden uit riekende plantendeelen op dezelfde wijze
bereid. (Zie bldz. 49).
36. LATENTE WARMTE BIJ DE SMELTING.
125«« Proef. Men verwarmt in eene porseleinen schaal 200 gram
water, dat men zoo koud mogelijk neemt, gedurende vijf minuten
met eene spirituslam]), en teekent de temperatuur-verhooging van
het water aan. Laat deze verhooging bij voorbeeld 20 graden be-
dragen. Nu giet men het water uit de schaal en brengt er ongeveer
dezelfde hoeveelheid fijngestooten ijs in. Daarna zet men de schaal
met ijs op dezelfde plaats, waar de schaal met water stond, terwijl
men ook de spirituslamp op dezelfde plaats laat staan. Tijdens de
verwarming roert men het ijs voortdurend om met den thermometer.
(Zie de yó'te Proef).
De thermometer wijst ook na vijf minuten nog altijd nul graden
en begint niet te rijzen, voordat al het ijs gesmolten is. Dus wordt
al de warmte van de spirituslamp gebruikt om het ijs te veranderen
in water van dezelfde temperatuur.
Ook bij de smelting van ijs wordt warmte latetit.
Hoeveel warmte ongeveer latent wordt bij de smelting van een
gram ijs, kan blijken uit de volgende proef.
i26'<ie Proef Men vermengt 100 gram fijngestooten ijs of sneeuw
van 0° met 100 gram water van 100°. Al het ijs smelt en de tem-
peratuur van het mengsel is 10.5°
Nog beter is sneeuw, als die te krijgen is.
-) De uitkomst van deze proef is alleen dan tamelijk nauwkeurig, als men
zeker weet, dat de sneeuw, die men afweegt, niet reeds gedeeltelijk gesmolten
is. Om hiervan zeker te zijn, gebruikt men de sneeuw dadelijk, nadat men ze
bij vriezend weder in de buitenlucht heeft verzameld. Het kan dan wel gebeuren,
dat de sneeuw eene temperatuur had van een paar graden onder nul, maar
de fout zal toch niet zeer groot zijn.