Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
58
100°, en daarna geheel verkoken, voor de laatste bewerking meer
dan vijf maal zooveel tijd noodig is dan voor de eerste. Dus ver-
eischt het veranderen van loo gram vloeibaar water van ioo° in
waterdamp van dezelfde temperatuur meer dan vijf jmaal zooveel
warmte, als [het verwarmen van loo gram water van o° tot ioo°'
Zou nu die damp bij zijne verandering in water niet weder dezelfde
hoeveelheid warmte teruggeven?
122®'® Proef. Men brengt in dezelfde retort eene afgemeten hoe-
veelheid water (50 gram bijv.), sluit de buis van de retort met eene
kurk en den hals met eene andere kurk, waarin men een glazen
buisje bevestigd heeft, dat op eenen geringen afstand van de kurk
rechthoekig is omgebogen. Men plaatst de retort in eene klem, en
laat het glazen buisje uitkomen in een bekerglas met eene afgemeten
hoeveelheid water (500 gram), waarin een thermometer is opgehan-
gen. Daarna verwarmt men het water in de retort, en neemt de
vlam niet weg, voordat al het water is verkookt. Men plaatst hier-
bij de retort op metaalgaas, of nog liever in een zandbad. Zie
blz. 49).
Bij de verwarming wordt de lucht uit de retort gedreven en ont-
wijkt in bellen door het water in het bekerglas; de waterdamp, die
zich ook weldra begint te ontwikkelen, wordt in het bekerglas ge-
heel tot water verdicht. Daarbij stijgt de temperatuur van het water
in het bekerglas aanmerkelijk; was zij voor de proef bijv. 10°, dan
zal zij omstreeks 60° zijn, als de proef is afgeloopen. Kon men al
de warmte in het water van het bekerglas houden, door te beletten
dat zij gedeeltelijk aan de omringende lucht wordt afgestaan en een
weinig van het water in het bekerglas doet verdampen, dan zou de
temperatuur bij het einde van de proef 67° zijn.
Berekenen wij nu, hoe hoog de temperatuur zou zijn van een
mengsel van 50 gram water van 100° en van 500 gram water van 10°,
dan vinden wij, dat zulk een mengsel slechts 18° warm zou zijn.
50 gram waterdamp van 100° geven met 500 gram water van 10°
een mengel van 67° temperatuur. Dus geeft de waterdamp bij zijne
verandering in water zeer veel warmte af. Hoeveel die warmte be-
draagt, kunnen wij door de uitkomst van de proef berekenen.
De 500 gram water zijn door den damp verwarmd van 10° tot
67°; zij hebben daarbij opgenomen 57 X 500 of 28500 calorieën.
Deze warmte is afgegeven door de 50 gram waterdamp, die daarbij