Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
een gram water van o' tot io° verhitten, dan heeft men tien calo-
rieën noodig; om dezelfde hoeveelheid van io° tot 25° te verwarmen,
vijftien calorieën, enz.
Hoeveel calorieën zal men nu wel moeten verbruiken om 25
gram water te verwarmen van 0° tot 10° ? en om 10 gram water
van 5° tot 12° te verwarmen? en om 3 gram water van 2° tot 100°
te verwarmen ? Hoeveel calorieën moeten 50 gram water verliezen
om van 100° tot 80° af te koelen? en 40 gram water om van 20°
tot 0° af te koelen?
Uit het voorgaande laat zich gemakkelijk afleiden, hoe hoog de
temperatuur zal zijn van elk mengsel, dat men verkrijgen kan door
verschillende hoeveelheden water van verschillende temperatuur bij
elkander te voegen. Nemen wij bijv. 100 gram water van 80'' met
200 gram water van 20°. Telkens, wanneer de 100 gram water eenen
graad in temperatuur dalen, geven zij 100 calorieën af, die opgenomen
worden door de 200 gram water van lagere temperatuur. Deze 100
calorieën verhoogen de temperatuur van de 200 gram water met
eenen halven graad. Toen de vloeistoffen bij elkander gevoegd wer-
den, bedroeg het temperatuur-verschil 80 — 20 of 60 graden. Als
de 100 gram water op 79° gedaald zijn, is de temperaar van de 200
gram op 20.5° gerezen. Als de 100 gram op 78" gedaald zijn, is de
temperatuur van de 200 gram 21°, en het temperatuur-verschil is
78 — 21 of 57. Voor de drie graden vermindering van het tempe-
ratuur-verschil (van 60 tot 57) rijst dus de temperatuur van het
koude water met eenen graad, en daalt die van het warme water
met twee graden. Nu moet, wanneer de vermenging geëindigd is,
het temperatuur-verschil geheel verdwenen zijn. Dus zal het koude
water zooveel malen eenen graad rijzen, als drie graden begrepen
zijn op het oorspronkelijk temperatuur-verschil, 60°. Het koude
water rijst of 20 graden in temperatuur, het warme daalt X 2
3 3
of 40 graden in temperatuur. De temperatuur van het mengsel zal
dus 20 + 20 = 40 graden zijn.
Dezelfde berekening laat zich eenvoudiger verrichten op de vol-
gende wijze. Stelt men de warmte, vervat in m gram water van t
graden voor door
tn gram water
dan is: