Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
34. METING DER WARMTE. WARMTE-EENHEID
OF CALORIE.
iió**« Proef. Men neemt twee bekerglazen en brengt in ieder
100 gram water. Terwijl men het water in het eene bekerglas zijne
temperatuur onveranderd laat behouden, verwarmt men het water in
het andere bekerglas. Men bepaalt met den thermometer de tempe-
ratuur van het koude water; laat deze temperatuur bij voorbeeld
12° zijn. Daarna brengt men den thermometer in het verwarmde
water, en zet de verwarming ojider voortdurend roeren voort, tot-
dat de thermometer 30° aanwijst. Nu neemt men de vlam weg en
giet het koude water, zonder iets te verliezen, in het warme water
uit. Men roert het mengsel om en leest de temperatuur af.
De thermometer daalt tot ongeveer 21°. Wanneer de proef kon
genomen worden op zoodanige wijze, dat het water geen warmte
kon afgeven aan de omringende lucht, of aan de onderlaag, waarop
het glas staat, zou de temperatuur van het mengsel juist gelegen zijn
midden tusschen de temperatuur van het warme en die van het
koude water, d. i. bij 21°.
II ^de Proef. Men herhaalt de vorige proef met dezelfde hoeveel-
heden water van eene andere temperatuur. Men neemt bijv. het
koude water van 20°, het warme van 40°; dan het koude water van
25°, het warme van 50°.
Bij elke van deze proeven ligt de temperatuur van het mengsel
in het midden tusschen die van het koude en die van het warme
water.
Wanneer men dus 100 gram water van 0° mengt met 100 gram
water van 100°, verkrijgt men 200 gram water van 50°. De laatste
100 gram water zijn vijftig graden in temperatuur gedaald en hebben
daarbij juist zooveel warmte afgegeven, als noodig is om de andere
IOC gram water van 0° tot 50° te verwarmen. Wilde men de eerste
100 gram weder van 50° tot 100° verwarmen, dan zou men hun
evenveel warmte moeten toevoegen, als zij bij de vermenging heb-