Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
meter op zoodanige wijze, dat de bol goed onder de zwavel is ge-
dompeld. De thermometer stijgt allengs tot iii°; bij deze tempera-
tuur smelt de zwavel en gaat over in eene lichtgele vloeistof. Van
deze vloeistof giet men een gedeelte op een muntstuk of eene me-
daille , of op een gips-afgietsel, die men met eenen opstaanden rand
heeft voorzien. (Zie hierbij de 36«'» Proef).
De gesmolten zwavel is eene dunne vloeistof en geeft na bekoe-
ling eenen nauwkeurigen afdruk van den vorm, waarin zij gegoten
is. Daarom wordt de zwavel], even als de gips, gebruikt tot het
maken van afgietsels.
QgBte Proef. Men brengt de vastgeworden zwavel in kleine stukjes
in een kolfje van Boheemsch glas, verhit het kolfje weder in het
schaaltje met de oplossing van chloorzink, totdat de zwavel gesmol-
ten is, neemt daarna het kolfje uit de oplossing en veegt het aan-
hangende vocht af. Daarna plaatst men het kolfje op metaalgaas
in eenen ring van den filtreerstandaard, plaatst eenen thermometer
in de gesmolten zwavel en verwarmt het kolfje verder met eene
gaslamp of Berzeliuslamp.
De thermometer stijgt voortdurend; de gele kleur van de gesmol-
ten zwavel gaat in eene bruine en weldra in eene zwarte kleur over.
Als de thermometer ongeveer 250° wijst, is de gesmolten zwavel
zoo taai geworden, dat men het kolfje kan omkeeren, zonder dat
de zwavel er uit loopt. Men verwijdert nu den thermometer, die bij
voortgezette verhitting weldra zou barsten. Bij de verdere verhitting
wordt de zwavel weer dunner, maar behoudt hare zwarte kleur;
eindelijk begint de vloeistof te koken.
g^ate Proef. Van de dunne gesmolten zwavel, die bijna kokend
is, giet men een gedeelte in een schaaltje met koud water. Men vat
daarbij den hals van de kolf aan met eene kurketang. Van de uit-
gegoten zwavel verbrandt een gedeelte onder het verspreiden van
eenen prikkelenden reuk; het grootste gedeelte valt in het water en
stolt daar tot eene bruingekleurde, weeke en elastieke stof, die eenige
uren of dagen lang hare weekheid en veerkrachtigheid bewaart, maar
na dien tijd zoo hard en broos wordt als de gewone zwavel.
98ste Proef. In eene kleine retort (van omstreeks 25 CC. inhoud)
met wijden en niet langen hals (1 cM. inwendige middellijn; i dM.
lang) verhit men zwavel langzamerhand tot de kooktemperatuur.
De zwaveldamp verdicht zich bij aanraking met de koudere deelen