Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
188
vorming van wasem hebben wij bij het koken van verschillende
vloeistoffen herhaaldelijk kunnen waarnemen. Wat men nevel noemt,
is eigenlijk niets anders dan een dunne wasem, die op eenen zekeren
afstand gezien wordt. Men ziet hem bijv. op vele zomeravonden
boven de slooten hangen. Het water, dat door de zonnestralen ver-
warmd is, koelt veel langzamer af dan de luchtlagen, die er boven
staan. Uit het warme water stijgt waterdamp op, die, in de koudere
luchtlagen aankomende, op geringen afstand van den waterspiegel
in nevel overgaat. Wasem en nevel zijn verzamelingen van uiterst
kleine droppeltjes en blaasjes. Iets dergelijks is de mist, die zich
somwijlen vormt, wanneer een warme, vochtige luchtstroom op
zijnen weg eenen kouden ontmoet.
Wolken zijn mistlagen of nevels, die in de hoogere lagen van
den dampkring zweven of langzaam dalen. Als men bij het bestij-
gen van eenen berg of bij eenen tocht met den luchtballon door
eene wolk heengaat, bemerkt men juist hetzelfde, als wanneer het
aan de aardoppervlakte mist. De wolken ontstaan op dezelfde wijze
als de mist door de ontmoeting van luchtstroomen, die warm en
vochtig zijn, met andere luchtstroomen, die koud zijn. Wordt eene
wolk afgekoeld, dan vormen zich uit de blaasjes, die zij bevat,
droppels, en de wolk daalt als regen naar beneden, of vormt sneeuw,
als hare temperatuur onder o° daalt.
Onder den naam van dauw verstaat men het dunne waterlaagje,
dat zich in koele, rustige en heldere zomernachten afzet op de
opi)ervlakte van vaste voorwerpen, die in de open lucht geplaatst
zijn. De dauw ontstaat, doordat de genoemde voorwerpen veel
warmte uitstralen (zie blz. 65—67) en daardoor aanmerkelijk in
temperatuur dalen. De luchtlagen in de nabijheid der afgekoelde
voorwerpen dalen eveneens in temperatuur en zetten een gedeelte van
haren waterdamp af, evenals in eene warme kamer de lucht, die
door de koude] ruiten is afgekoeld, eene laag water op de glazen
afzet. Is de lucht in beweging, dan wordt de luchtlaag boven de opper-
vlakte telkens vernieuwd, en hare temperatuur kan dan niet genoeg
dalen [om dauw te doen ontstaan. Is de lucht bewolkt, dan is de
uitstraling niet sterk en de dauw vertoont zich niet. Daalt de tem-
peratuur der voorwerpen , die warmte uitstralen, beneden het vries-
punt, dan zet zich, in de plaats van water, ijs af. IJslaagjes, die
op zoodanige wijze gevormd zijn, noemt men rijp.