Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
187
den waterdamp, die in de uitgeademde lucht aanwezig is, als een
nevel neergeslagen.
Om nauwkeurig te onderzoeken, hoeveel waterdamp de lucht in
de verschillende jaargetijden bevat, kunnen wij eene gemeten hoe-
veelheid lucht laten gaan door een buisje, dat met chloorcalcium
gevuld is. Het chloorcalcium neemt al den waterdamp op, dien de
lucht bevat, welken men door het buisje laat strijken. Weegt men
nu het chloorcalcium-buisje vóór en na de proef, dan kent men
door de gewichtsvermeerdering van dat buisje het gewicht van den
waterdamp in de lucht, die men voor de proef gebruikt heeft. Be-
paalt men op deze wijze de hoeveelheid waterdamp, dien de lucht
in verschillende jaargetijden bevat, dan vindt men werkelijk, dat de
lucht in den zomer gewoonlijk meer waterdamp bevat dan in den
winter. Dat de warme zomerlucht ons zoo dikwijls droger voorkomt
dan de lucht in den winter, is hieraan toe te schrijven, dat onze
huid, evenals andere vochtige voorwerpen, in den zomer gewoonlijk
veel sneller droogt. De lucht bevat wel in den zomer gewoonlijk veel
meer waterdamjj dan in den winter, maar zij kan daarentegen ook
veel meer waterdamp opnemen. Zoo komt het, dat vochtige voor-
werpen in den zomer toch veel sneller drogen, ofschoon de lucht
reeds zooveel waterdamp bevat, dat zij bij eene lagere temperatuur
niets meer zou kunnen opnemen.
Wordt warme lucht, die veel waterdamp bevat, afgekoeld, dan zet
zij een gedeelte van haren waterdamp als vloeibaar water of nevel af.
Brengt men eene karaf met koud water in een warm vertrek, dan
wordt de buitenwand der karaf oogenbhkkelijk vochtig. De lucht,
die om de karaf is, wordt door den kouden wand der karaf afge-
koeld en zet dadelijk een deel van haren waterdamp als vloeibaar
water tegen dien wand af. Als eene kamer warmer is dan de buiten-
lucht, beslaan in den regel de ruiten. Zij worden namelijk door de
buitenlucht afgekoeld; de luchtdeeltjes in de kamer, die niet de rui-
ten in aanraking komen, worden op hunne beurt afgekoeld en een
gedeelte van den waterdamp, dien zij bevatten, slaat zich als een
waterlaagje o]) de ruiten neder. Daalt de temperatuur der ruiten
onder o°, dan vormen zich de ijsbloemen aan de vensters.
Wordt eene luchtlaag, die rijk is aan waterdamp, niet door een
vast voorwerp, maar door eene koudere luchtlaag afgekoeld, dan
slaat zich de overtollige waterdamp als wasem of nevel neder. De