Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
184
monia voert de luchtstroom eenen dikken nevel van chloorammo-
nium mede (zie bl. 74—77). Laat men dien nevel boven de vlam
van eene Berzelius-lamp uitkomen, dan ziet men hem met groote
snelheid in de lucht opstijgen.
In een vertrek, dat door eene kachel verwarmd wordt, die midden
in het vertrek op den vloer geplaatst is, geraakt de lucht in der-
gelijke stroomingen ak het water in de kolf bij de ago«'« Proef.
292^'» Proef Men laat den nevel van chloorammonium boven
de warme kachel uitkomen. Hij stijgt met groote snelheid naar den
zolder. Men bepaalt op dezelfde wijze de richting van de luchtstroo-
mingen in het vertrek aan de zijmuren, liefst in de nabijheid van
de ramen. De nevel daalt op vele plaatsen naar beneden.
In een vertrek, dat door eene kachel verwarmd wordt, stijgt
de warme lucht van de kachel naar de zoldering j en verwarmt de
bovenste luchtlagen. De plaats van de lucht, die naar boven geste-
gen is, wordt ingenomen door koudere lucht uit het onderste ge-
deelte van het vertrek, die op hare beurt weder vervangen wordt
door lucht, welke van boven komt. Dus zullen de hoogere lucht-
lagen in zulk een vertrek altijd eene hoogere temperatuur hebben
dan de lagere. Bij onderzoek met den thermometer blijkt dit wer-
kelijk het geval te zijn. Is de kamer zeer hoog van verdieping,
dan kan men haar onderste gedeelte niet gemakkelijk warm stoken.
Opent men de deur, die van een verwarmd vertrek naar eene
koudere ruimte voert, dan ontstaan er twee luchtstroomen, wier
richting men bemerkt, als men een brandend kaarsje boven en
onder aan de deur houdt, die men hierbij liefst niet zeer ver opent,
maar op eenen kier laat staan. Van boven stroomt warme lucht uit
het vertrek naar de koude ruimte; van onder stroomt koude lucht
de warme kamer binnen.
Het ontstaan der winden moet voor een groot deel worden toe-
geschreven aan de ongelijke verwarming der verschillende luchtlagen,
die den dampkring samenstellen. Aan de kusten waait bijv. overdag
een zeewind, van de zee naar het land; in den avond een land-
wind , die£de lucht van het land naar de zee voert. De zonnewarmte
doet namelijk de temperatuur van zand en aarde veel sterker toene-
men dan die van water, zooals men gemakkelijk zelfs met de hand
kan bemerken. De lucht, die in aanraking met de warme aarde
soortelijk lichter is] geworden, stijgt in de hoogte, en de koelere