Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
172
het optrekken achter zich laat. Stellen wij, om een eenvoudig voorbeeld
te nemen, dat de ruimte in de pompbuis, als de zuiger zoo hoog mogelijk
is opgetrokken, juist gelijk is aan het volumen van den ontvanger.
Dan zal op het oogenblik, dat de zuiger zijnen hoogsten stand bereikt,
de helft van de lucht, die oorspronkelijk in den ontvanger was, in
de pompbuis gekomen zijn; de antlere helft is in den ontvanger
achtergebleven. De spanning van de lucht onder den ontvanger,
die oorspronkelijk gelijk was aan de drukking van den dampkring,
is nu nog slechts gelijk aan de helft van de dampkringsdrukking.
Als de zuiger zoo hoog mogelijk in de pompbuis gebracht is, draait
men de kraan, zoodat zij den stand van Fig. 38 aanneemt, en
brengt daarna den zuiger naar beneden, totdat hij tegen den bodem
van de pompbuis stuit. Zooals uit de figuur blijkt, wordt bij het
neerdrukken van den zuiger de lucht uit de pompbuis naar buiten
gedreven, zonder in den ontvanger te kunnen gaan. Daarna draait
men de kraan weder in den stand van Fig. 37 en brengt den zui-
ger naar boven. De lucht uit den ontvanger verspreidt zich weder
over de dubbele ruimte, en in den ontvanger blijft slechts een vierde
gedeelte van de oorspronkelijke hoeveelheid lucht. Draait men dan
nogmaals de kraan om, en brengt men den zuiger naar beneden,
dan wordt de lucht uit de pompbuis weder naar buiten gedreven.
Door op dezelfde wijze voort te gaan, kan men telkens de helft van
de lucht uit den ontvanger wegnemen.
Men ziet uit de voorafgaande beschrijving duidelijk, dat men met
de luchtpomp niet plotseling eene ruimte luchtledig kan maken,
zooals bij de proef van Torricelli geschiedt, maar alleen telkens
een gedeelte van de lucht onder den ontvanger kan wegnemen.
Is de ruimte in de pompbuis even groot als het volumen van den
ontvanger, dan neemt men met de eerste opwaartsche beweging van tien
zuiger hoogstens de helft, met de tweede hoogstens een vierde, met
de derde hoogstens een achtste van de oorspronkelijke hoeveelheid
lucht weg. Het is daarenboven gemakkelijk in te zien, dat er ver-
schillende oorzaken zijn, waardoor de weggenomen hoeveelheid lucht
geringer wordt. De zuiger sluit bijv. nooit volkomen tegen den bodem van
de pompbuis; het kanaal, dat door de kraan loopt, brengt bij het
omdraaien telkens eene kleine hoeveelheid lucht onder den zuiger; de
kraan kan moeielijk zoo sluitend gemaakt worden, dat zij niet kleine
hoeveelheden lucht doorlaat. Tengevolge van dit alles kan men met