Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
156
rijst door de opwaartsche drukking van het water. Daarop legt men
in A zooveel gewicht bij, dat de areometer opnieuw tot aan het
streepje B in de vloeistof zinkt. Laat hiervoor bijv. 3 gram noodig
zijn, dan is het gewicht van het verplaatste water 3 gram.
Wat is het soortelijk gewicht'van het marmer?
Om het s. g. te bepalen van vaste stoffen, die lichter zijn dan
water en dus bij deze wijze van proefneming uit het bakje D zouden
opstijgen, gebruikt men de voorzorg het bakje D om te keeren.
Voor de bepaling van het s. g. van vloeistoffen is de areometer van
Xicholson minder geschikt. Men gebruikt daarvoor andere areome-
ters, die berusten op de omstandigheid, dat een drijvend voorwerp in
eene zwaardere vloeistof minder diep zal zinken dan in eene lichtere.
Uit de berekening op blz. 152 bleek bijv. dat van
een stuk vet, waarvan het s. g. 0.95 is, onderwater
zullen dompelen en slechts daarboven uitsteken.
Maar brengt men hetzelfde stuk in de verzadigde zout-
oplossing van de 274'te Proef, dan zal een veel grooter
stuk buiten de vloeistof blijven. Laat bijv. het stuk i
CC. groot zijn en dus 0.95 gram wegen. Dan blijft het
in evenwicht, als het naar boven gedrukt wordt met
eene kracht van 0.95 gram. Die opwaartsche drukking
is gelijk aan het gewicht der vloeistof, die het onder-
H I gedompelde gedeelte van het vet verplaatst. Het volumen
0 ^^ van die vloeistof is bij water 0.95 CC. maar bij de
zoutoplossing 0.95 : 1.2 =: 0.79 CC.
In Fig. 35 ziet men een afbeelding van eenen areo-
meter , die op dit beginsel berust. Hij bestaat uit eenen
hollen cylinder A, die van onderen uitloopt in een
fi peervormig gedeelte B, dat ten deele met kwik gevuld
P' is, en van boven in het eveneens holle buisje C dat
gesloten en met eene graadverdeeling voorzien is.
278®'" Proef Men dompelt den areometer eerst in
water, daarna in brandspiritus, eindelijk in eene zout-
oplossing.
De areometer zinkt, in den brandspiritus dieper, in
de zoutoplossing minder diep dan in water. Verdunt
men de zoutoplossing, waarin de areometer staat, met
water, dan ziet men hem dieper zinken.
Fig. .33.