Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
154
de lucht, die in de blaas, of in de schaaltjes, of in het buisje was.
Daar nu het soortelijk gewicht der lucht zeer gering is, wordt het
gewicht van het verplaatste water weldra veel grooter dan het ge-
wicht van de ondergedompelde lichamen, wanneer men ze naar be-
neden drukt.
Kon men een lichaam nemen, welks soortelijk gewicht juist gelijk
was aan dat van water, dan zou een dergelijk lichaam, onderwater
gedompeld, op iedere diepte in evenwicht zijn; het zou niet dalen
en niet rijzen. Als men eenen geruimen tijd aan de proef wil beste-
den, dan kan men bij de 275«*® Proef het gewicht van het stukje
lood, dat aan de blaas hangt, zoolang vermeerderen, totdat die blaas
met het lood, dat er aan hangt, juist evenveel weegt als het water,
dat zij kan verplaatsen. De proef duurt echterlang, omdat het klein-
ste gewichtsverschil de blaas doet rijzen of dalen.
Het menschelijk lichaam is samengesteld uit verschillende stoffen,
wier soortelijke gewichten niet even groot zijn. Dompelt men het ge-
heel in water, dan is het gewicht van het verplaatste water ten naaste
bij even groot als het gewicht van het lichaam. Bij de meeste men-
schen is het gewicht van het verplaatste water iets grooter; het
lichaam drijft dus met een klein gedeelte boven de oppervlakte van
het water. Gaat men in het water op den rug liggen en zorgt men
er voor, dat ook het achterhoofd onder water blijft, dan blijven
mond en neusgaten boven water en men kan dus ademhalen. Bij
elke inademing wordt het lichaam een weinig opgelicht, omdat de
indringende lucht de borstkas uitzet, en dus het gewicht van het
verplaatste water doet toenemen, zonder het gewicht van het lichaam
aanmerkelijk te vermeerderen. Bij elke uitademing zakt het lichaam
een weinig.
Bij het zwemmen drukt men met de armen en de beenen op het
water, zoodat men zich vooruit beweegt en tevens met het boven-
deel van het lichaam uit het water komt. Als men op eene onbe-
wegelijke onderlaag staat en tegen een beweeglijk voorwerp drukt,
dan wordt dat voorwerp bewogen; wanneer men tegen een voorwerp
drukt, dat onbeweeglijk vaststaat, en de onderlaag, waarop men
staat, beweeglijk is, dan wordt men zelf door de uitgeoefende druk-
king voortbewogen. Stoot men bijv. met eenen stok tegen eenen los-
liggenden bal, dan geraakt de bal in beweging; maar de schipper,
die, op zijne schuit staande, met eenen stok tegen den bodem van