Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
144
Men zou de grootte van de drukking op den bodem kunnen
bepalen, door met den beschreven toestel te onderzoeken, hoe
groot het gewicht is, dat in de andere schaal gelegd moet worden
om te makeji, dat de plaat nog even sluit, maar door de geringste
hoeveelheid toegevoegd water zou gaan dalen. Door dergelijke
proeven blijkt gemakkelijk, dat de drukking des te grooter wordt,
naarmate de kolom vloeistof hooger en de oppervlakte van den bodem
grooter is. De uitkomst van alle dergelijke proeven vindt men inde
volgende stelling.
De drukkifig, die eene vloeistof uitoefent op den bodem van het
vat, waarin zij geplaatst is, is gelijk aan het gewicht van eene
kolom der vloeistof, die den bodem van het vat tot grondvlak en
den loodrechten afstand van de oppervlakte der vloeistof tot den
bodem tot hoogte heeft.
Was de bodem van het vat bijv. een vierkant van eenen decimeter
lengte, en stond er boven dien bodem eene laag water ter hoogte
van 0.8 decimeter, dan zal de drukking op den bodem gelijk zijn
aan het gewicht eener waterkolom van o.B cubieken decimeter, of
aan 800 gram. Welke de vorm van het vat is, doet niets ter zake;
het gewicht van het water in het vat kan dus veel meer of veel
minder dan 800 gram bedragen; steeds zal in het genoemd geval de
drukking op den bodem 800 gram zijn.
Deze drukking verdeelt zich gelijkmatig over den geheelen
bodem. Elke vierkante centimeter van den bodem wordt dus
gedrukt door eene kolom water, die een grondvlak van eenen
vierkanten centimeter, eene hoogte van 8 centimeter heeft en 8
gram weegt.
262»*^ Proef. Men herhaalt de 260"« Proef eenige malen, en laat
daarbij den cylinder met het koperen plaatje tot zeer verschillende
diepten in het water dompelen. Men ziet dat het plaatje altijd
begint te dalen, wanneer de vloeistof in den cylinder bijna even
hoog staat als in het bekerglas. Kon men in de plaats van koper
voor het plaatje eene stof nemen, wier soortelijk gewicht gelijk
was aan dat van water, dan zou het plaatje niet gaan dalen, voor-
dat de waterspiegel binnen den cylinder hooger begint te worden
dan daarbuiten.
De drukking, waarmede het plaatje opwaarts wordt gedreven,
is gelijk aan hel gewicht van eene kolom water, die de doorsnede