Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
143
ringen, waarmede de drie glazen A, B, C voorzien zijn. Deze glazen
zijn van verschillenden vorm, maar de onderste opening, waarvan de
rand geslepen is, heeft bij alle drie dezelfde grootte. In de figuur
ziet men het glas A in den ring van den standaard bevestigd. Het
wordt van onder gesloten door een glazen plaat, die met eene koord
aan eenen der armen van de balans is opgehangen. Op de schaal
aan den anderen arm is een gewicht geplaatst, dat groot genoeg is
om de plaat sterk tegen den geslepen rand van het glas A te doen
drukken. De plaat moet zoo bewerkt zijn, dat zij de geslepen
randen van A, B en C waterdicht kan afsluiten. Giet men
nu water in het glas A, dan zal, wanneer men het gewicht
in de schaal van de balans niet te groot genomen heeft, na
toevoeging van eene zekere hoeveelheid water de plaat gaan
dalen, en bij hare daling het overtollige water in den bak G
laten uitloopen. Op het oogenblik, waarop die daling begint,
wordt de plaat door het water, dat er op gegoten is, zoo
sterk gedrukt, dat zij naar beneden gaat, en het gewicht in de
schaal der balans wordt opgeheven. Men meet zoo nauwkeurig mo-
gelijk de hoogte van de waterkolom in het glas A op het oogenblik,
dat de daling begint.
Daarna herhaalt men de proef, nadat men in de plaats van
het glas A het glas B in den ring van den standaard heeft
bevestigd, en teekent nauwkeurig de hoogte der waterkolom
aan, wier drukking de plaat doet dalen en het gewicht op-
heft. Eindelijk vervangt men B door C en herhaalt de proef
nog eens.
Vergelijkt men nu de uitkomsten der drie proeven, dan blijkt,
dat de hoogte der waterkolom, wier drukking de schijf heeft
doen dalen, in de drie vaten dezelfde was. Daar nu de vorm
der drie vaten zeer uiteenloopt, is het gewicht van even hooge
vochtkolommen in de drie vaten zeer verschillend. De vochtkolom
in C weegt het meest, die in B het minst. Toch hebben die drie
vochtkolommen van ongelijk gewicht op den bodem eene zelfde
drukking uitgeoefend.
In vaten, wier bodems even groot zijn, e7i die tot op dezelfde
hoogte met eene zelfde vloeistof gevuld zijn, is de drukking op den
bodem even groot, hoezeer ook de vorm der vaten en het gewicht
der vloeistoffen ?nogen verschillen.