Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
141
gezien heeft, sluit men het onderste buisje, vult de flesch weder
met water aan en neemt het kurkje van het middelste buisje. Er
komt weder een waterstraal te voorschijn, die eene kromme lijn
beschrijft. Eindelijk opent men het bovenste buisje, nadat men het
middelste gesloten en de flesch opnieuw gevuld heeft. Het water
wordt uit al de drie openingen in horizontale richting voortgedreven,
maar begint natuurlijk dadelijk te vallen, zoodra het de buisjes heeft
verlaten. Vergelijkt men de horizontale afstanden, waartoe het wordt
voortgedreven, dan blijkt het, dat die afstand het grootste is bij den
ondersten, het kleinst bij den bovensten straal.
Hel water, dat in een vat besloten is, oefent eene drukking uit
op de zijwanden van dat vat. Die drukking is des te grooter, naar-
mate de kolom vloeistof boven de gedrukte plaats hooger is.
Eene vloeistof drukt een ondergedompeld lichaam niet alleen naar
beneden en van ter zijde, maar ook naar boven. Dit blijkt duidelijk,
als men beproeft een voorwerp, dat een klein soortelijk gewicht heeft,
in eene vloeistof naar beneden te brengen, bijv. een stuk hout in
eenen emmer met water of eenen glazen knikker in een bekerglas
met kwik. Duidelijker nog blijkt die drukking naar boven op de vol-
gende wijze.
260'te Proef Men neemt eenen hollen glazen cylinder«, (zie fig.
27) die aan beide zijden open is en aan de eene zijde eenen gejle-
pen rand heeft. Tegen dien geslepen rand kan men
een koperen plaatje b, aan welks midden een draad
c bevestigd is, waterdicht doen sluiten. Men trekt nu
het plaatje tegen den cylinder, zoodat het goed sluit,
en dompelt den toestel, met het plaatje naar beneden
gekeerd, in eenen bekerglas met water, terwijl men
den draad voortdurend gespannen houdt. Als de cy-
linder voor een groot deel onder water gebracht is,
laat men den draad los; het plaatje valt niet naar
beneden.
Wanneer men het plaatje zonder den cylinder in
water dompelt, zal het, gelijk bekend is, onmiddellijk
zinken, als men den draad loslaat. Waaraan kan het
liggen, dat het plaatje niet zinkt, wanneer het tegen den cylinder sluit ?
Om deze vraag te beantwoorden, giet men water in den cylinder.
Het koperen plaatje zinkt nog niet dadelijk, maar gaat eerst dan