Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
2. SUIKKR.
Broodsuiker bestaat uit zeer kleine, kandij (klontjes) uit groote
kristallen.
ódiï Proef. Men wrijft eenige theelepels broodsuiker in eenen mor-
tier tot een zeer fijn poeder, weegt gelijke gewichten (lo gram bijv.)
van kandij, broodsuiker en poeder van suiker af en brengt de drie
soorten suiker ieder afzonderlijk in een bekerglas, waarin men onge-
veer loo CC. water gebracht heeft. Men bevordert de oplossing door
omroeren met eene roerstaaf.
Groote kristallen worden langzamer opgelost dan kleine, en deze
weder langzamer da?i een fijn poeder.
Proef. Men brengt in twee bekerglazen gelijke hoeveelheden
watèr (50 gram bijv.). Het water ili het eene bekerglas wordt aan
het koken gebracht (men plaatst daartoe weder het metaalgaas in
den ring van den standaard en stelt het bekerglas daarop); het water
in het andere wordt niet verwarmd. Men lost nu in het water in elk
der glazen eene gelijke hoeveelheid broodsuiker op (50 gram bijv.);
terwijl men voortdurend omroert.
Suiker lost gemakkelijker op i7i warm water dan in koud water.
Hoe zou men uit eene suikero])lossing kandij kunnen verkrijgen ,
hoe broodsuiker?
3. KKUKENZOU'l' EN SUIKER.
Proef. Men weegt 50 gram fijn zout en 50 gram broodsuiker
af en beproeft het zout en de suiker ieder afzonderlijk oj) te lossen
in ongeveer 100 CC. water. \Ten vult hierbij twee bekerglazen ieder
met IOC CC. water, brengt het zout in het eene, de suiker in het
andere en bevordert de oplossing door omroeren met eene roerstaaf.
Na eenigen tijd is de suiker geheel opgelost, het zout niet. Men
brengt nu nog meer suiker in de suikero[)lossing.
In water kan men meer suiker oplossen dan zout. Suiker is meer
oplosbaar, gemakkelijker oplosbaar dan zout. Zout is minder op-
losbaar, moeilijker oplosbaar dan suiker.
Eene verzadigde zoutoplossing is eene dunne vloeistof, eene ver-
zadigde suikeroplossing (stroop) is eene dikke vloeistof.