Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
110
Zonder dat men behoeft te verwarmen lost het zink in verdund
zwavelzuur op, terwijl zich waterstof ontwikkelt. De gefiltreerde
kleurlooze oplossing van zink in zwavelzuur geeft bij afkoeling kris-
tallen, die op bitterzout gelijken. (Zie hierboven blz. lo.) Dat die
kristallen geen bitterzout zijn, kan men laten zien door eene oplos-
sing van de verkregen kristallen met ammonia te behandelen, en
hetzelfde te doen met eene oplossing van bitterzout. In beide oplos-
singen ontstaat een wit neerslag, maar als men meer ammonia toe-
voegt, wordt het neerslag uit de zink-oplossing weder opgelost, dat
uit de bitterzout-oplossing niet. Men noemt de witte kristallen, die
uit zink en zwavelzuur verkregen worden, zinkvitriool. Dat het
zwavelzuur verdwenen is, kan men op dezelfde wijze laten zien als
bij de aosii® Proef.
A/s men zink in verdund zwavelzuur brengt, verdwijnt er zi7ik
en zwavelzuur, en er vormt zich zinkvitriool en waterstof.
209''« Proef. Men herhaalt de 206^® Proef met gekorreld zink in
de plaats van ijzerdraad.
Onder ontwikkeling van waterstof ontstaat eene heldere oplossing
die bij bekoeling geen kristallen afzet, en bij indamping eene witte
vaste stof overlaat, die chloorzink genoemd wordt. Als de ontwik-
keling van waterstof geëindigd is, vindt men geen zoutzuur meer in
de vloeistof.
Als men zink met verdund zoutzuur te zamen brengt, dan ver-
dwijnt er zink en zoutzuur, en er ontstaat chloorzink en waterstof.
Evenals de oplossing van zinkvitriool, geeft ook die van chloorzink
met ammonia een neerslag, dat in meer ammonia oplost. Van waar
deze overeenkomst tusschen beide lichamen? Waar kan het zink bij
de voorgaande proeven gebleven zijn?
Het zink is een grauw metaal, dat veel gemakkelijker smelt dan
ijzer. Laat men zink in vochtige lucht liggen, dan verliest het weldra
zijnen glans, en bedekt zich met een dof laagje. Terwijl echter het
roestlaagje bij een stuk ijzer voortdurend dikker wordt, zoolang het
ijzer in vochtige lucht blijft liggen, neemt het doffe laagje op zink
weldra niet meer in dikte toe. Daarom kan men ijzer voor roesten
bewaren door het met een laagje zink te overdekken (^^^a/z^aww^r//
ijzer). Verwarmt men gesmolten zink, dan begint het na eenigen tijd
te branden en geeft daarbij een wit poeder, dat zinkwit genoemd
en als verfstof gebruikt wordt.