Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
109
Ook bij deze proef ontwikkelt zich waterstof. Als de ontwikkeling
van waterstof heeft opgehouden, is het zoutzuur verdwenen, zooals
bij onderzoek met potasch en soda blijkt. (Zie blz. 78 en 79.) De
oplossing van ijzer in zoutzuur is eene groene vloeistof, die bij be-
koeling geen kristallen afzet. Verdampt men haar op zoodanige wijze,
dat de lucht niet in aanraking komt met de verdampende vloeistof,
dan laat zij eene groene stof achter, die chloorijzer genoemd wordt.
A/s men ijzer met zoutzuur verwarmt, dan verdwijnt er ijzer
en zoutzuur, en er vormt zich chloorijzer en waterstof.
Evenals het ijzervitriool wordt ook het chloorijzer zwart, als men
er galnoten-aftreksel bijvoegt, lichtblauw, als men het met geel bloed-
loogzout mengt, donkerblauw met rood bloedloogzout. Men kan dit
gemakkelijk laten zien, door de oplossing van ijzer in zoutzuur met
de genoemde stoffen te vermengen. Waaraan zou deze overeenkomst
tusschen ijzervitriool en chloorijzer moeten toegeschreven worden?
Waar kan het ijzer bij de 205^« en 206^» Proef gebleven zijn?
Men onderscheidt drie soorten van ijzer, die voor verschillende
diensten gebruikt worden: het gietijzer, het staal en het smeedijzer.
Laat men stukken ijzer in vochtige lucht staan, dan bedekken zij
zich met roest en gaan eindelijk geheel in roest over.
207de Proef. Men verwarmt een stukje staal in de vlam van de
Berzelius-lamp. Het vertoont achtereenvolgens verschillende kleuren
en bedekt zich ten slotte met een grauw laagje.
Bij het smeden van ijzer wordt dit grauwe laagje telkens van het
gloeiend metaal afgeslagen. Ging men voort met smeden, dan zou
men eindelijk al het ijzer in deze grauwe stof veranderen, die nog wel
eenigszins op ijzer gelijkt, maar toch geen ijzer is. Men noemt
die grauwe stof ijzerhamerslag. IJzerhamerslag verschilt van ijzer,
doordat het niet gesmeed kan worden en met zoutzuur of zwavel-
zuur geen waterstof ontwikkelt.
Bij verwarming in de lucht verandert het ijzer in ijzerhamer-
slag.
54. ZINK.
2o88te Proef Men herhaalt de 205''« Proef met gekorreld zink in
])laats van ijzerdraad.