Boekgegevens
Titel: Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Auteur: Arendt, R.; Bellaar Spruyt, Cornelis
Uitgave: Groningen: Wolters, 1889
2e [gew.] dr; 1e dr.: Arnhem, 1870-1872. - 3 dl. in 1 bd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 960
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200059
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur
Vorige scan Volgende scanScanned page
105
Men verwarmt nu de kolf op een zandbad. Er ontwikkelt zich een
groenachtig geel gas, chloor genaamd, van eenen eigenaardigen reuk,
die tot hoesten aanzet en aan den reuk van chloorkalk herinnert.
Het gas, dat veel zwaarder is dan lucht, drijft de luchtjuit£het
cylinderglas, even als koolzuur dat deed bij de 1508'e en andere
proeven. Om zoo weinig mogelijk chloor in het vertrek te brengen,
sluit men het cylinderglas, zoolang het chloor daarin gevoerd wordt,
met eene zijdelings uitgesneden glazen dekplaat, die alleen de glazen
buis doorlaat, waardoor het chloor wordt aangevoerd. Zoodra het
eerste glas gevuld is, vult men een tweede op dezelfde wijze, terwijl
men het eerste luchtdicht sluit met een glazen dekplaatje, dat men
daartoe vooraf met vet voorzien heeft. Op deze wijze vult men vier
cylinderglazen, daarna twee flesschen, die met kurken gesloten kun-
nen worden, en laat verder het chloor buiten het venster uitstroomen,
of wel verwijdert den geheelen chloortoestel zoo spoedig mogelijk
uit het gebouw, wat nog beter is.
203de Proef. In het eerste cylinderglas brengt men eenen ruiker
versche bloemen en eenige roode of paarse lapjes, in het tweede een
stuk beschreven en een stuk bedrukt papier. Al deze voorwerpen
moeten vochtig zijn. In het derde cylinderglas brengt men wat onecht
bladgoud en bladzilzer, in het vierde een brandend kaarsje aan eenen
ijzerdraad. De eerste flesch met chloor opent men in eene schaal
met koud water, en schudt het gas met het water, dat in de flesch
dringt. (Men zie hierover de 170"® Proef.) De tweede flesch behandelt
men op dezelfde wijze met eene oplossing van soda.
204'ie Proef Men brengt in twee kolfjes een weinig chloorkalk, en
overgiet die in het eerste kolfje met verdund zwavelzuur, die in het
andere met niet te sterk zoutzuur, terwijl men de kolfjes door losse
papieren stoppen eenigszins afsluit. De kolfjes vullen zich met chloor-
gas. De proef is niet gevaarlijk, wanneer men de hoeveelheid van
hetitoegevoegde "zuur zoo klein neemt, dat er minder chloor komt,
dan de kolf kan bevatten.
Uit deze verschillende proeven blijkt het volgende:
Chloor ontwikkell zich: a. uil zoutzuur met bruinsteen, bij 7na-
tige verwarming; b. uit chloorkalk met zoutzuur of zwavelzuur.
Bet is een groenachtig geel gas van eenen prikkelenden reuk ; de
inademing van chloor is zeer gevaarlijk. Chloor bleekt planten-
kleuren en schrijfinkt, maar werkt niet op drukinkt. In chloor